Hoofdstuk 9 Zegetocht van de HEER [1] Een* uitspraak: ‘Het woord van de heer is in het land Chadrak*, en in Damascus is zijn rustplaats, want het oog van de heer is op de mensen gericht en op alle stammen van Israël; [2] ook op het aangrenzende Hamat en op Tyrus en Sidon, met al hun wijsheid. [3] Tyrus heeft een vesting gebouwd en het heeft zilver bijeengebracht als stof, goud als slijk in de straten. [4] Nu zal de Heer het echter overmeesteren; Hij zal zijn macht de zee in slaan, en de stad zelf zal door vuur verslonden worden. [5] Askelon* zal het zien en bang zijn, net als Gaza, dat van ontzetting ineenkrimpt, en Ekron, beschaamd vanwege haar hoop. Uit Gaza verdwijnt de koning en Askelon wordt ontvolkt. [6] In Asdod zal de bastaard* wonen. Zo breek Ik de hoogmoed van de Filistijn; [7] Ik* haal hem het bloed uit de mond, en tussen zijn tanden trek Ik de gruwelijkheden* weg. Dan blijft ook hij over voor onze God en wordt hij als een stamhoofd in Juda, en Ekron wordt als* een Jebusiet. [8] Als een wachtpost ga Ik voor mijn huis liggen, vanwege degenen die gaan en keren; geen dwingeland trekt meer tegen hen op, want met mijn eigen ogen kijk Ik nu toe.
Jubel, dochter van Sion,
juich, dochter van Jeruzalem!
Zie, uw koning komt naar u toe,
hij is rechtvaardig en zegevierend;
hij is nederig*, hij rijdt op een ezel,
op een veulen, het jong van een ezelin.
Ik vaag de strijdwagens weg uit Efraïm,
de paarden uit Jeruzalem;
de strijdboog wordt gebroken.
Dan kondigt hij vrede aan onder de volkeren,
en gaat zijn heerschappij van zee* tot zee en
van de Rivier* tot de grenzen van de aarde.
Want Juda span Ik als mijn boog,
Efraïm heb Ik gevuld;
uw zonen, Sion, breng Ik in beweging
tegen de zonen van Jawan*.
Ik maak u als het zwaard van een held.
De heer van de machten is hun schild;
zij zullen overwinnen
en op de slingerstenen trappen;
zij zullen bloed drinken als wijn
en er zo vol van zijn als de plengschaal,
als de hoeken* van het altaar.
Zo zal de heer hun God, op die dag
zijn eigen volk, als een kudde, verlossen;
want zij zijn de juwelen in de kroon,
waarvan de schittering over het land gaat.
Hoe goed zal het zijn, hoe heerlijk:
het koren laat de jonge mannen gedijen,
de most de jonge vrouwen.
Hoofdstuk 9 Andere profetieën [1] Profetie.
Het woord van de HEER heeft Chadrach bereikt, en het rust op Damascus. Naar de HEER immers zal de hele mensheid zich richten, net als de stammen van Israël. [2] Ook op het aangrenzende Hamat rust het woord van de HEER, en op Tyrus en Sidon, ondanks al hun vernuft. [3] Tyrus bouwde voor zichzelf een bolwerk, het hoopte zilver op als stof en goud als slijk in de straten, [4] maar de Heer zal de stad in bezit nemen, haar rijkdom in zee storten, en de stad zelf gaat in vlammen op. [5] Wanneer Askelon dat ziet, zal het schrikken, en Gaza zal beven van angst. Zo ook Ekron, dat zijn hoop in rook ziet opgaan. Uit Gaza verdwijnt de koning, Askelon raakt ontvolkt, [6] en in Asdod woont nog slechts een onzuiver volk. Zo zal ik de hoogmoed van de Filistijnen breken. [7] Vlees waar nog bloed in zit zal ik hun uit de mond rukken, en ook het andere voedsel dat ik verafschuw. Maar een deel van hen zal gespaard worden, en ook zij zullen toebehoren aan onze God. Ze zullen in Juda worden opgenomen, en Ekron zal met ons verbonden zijn zoals de Jebusieten. [8] Ik zal de wacht betrekken en mijn land beschermen tegen doortrekkende legers. Geen tiran zal het nog binnenvallen, want nu waak ik er met eigen ogen over.
Juich, Sion,
Jeruzalem, schreeuw het uit van vreugde!
Je koning is in aantocht,
bekleed met gerechtigheid en zege.
Nederig komt hij aanrijden op een ezel,
op een hengstveulen, het jong van een ezelin.
Ik zal de strijdwagens uit Efraïm verjagen
en de paarden uit Jeruzalem;
de bogen worden gebroken.
Hij zal vrede stichten tussen de volken.
Zijn heerschappij strekt zich uit van zee tot zee,
van de Rivier tot de einden der aarde.
[11] Want, Sion, omwille van mijn verbond met jou, met offerbloed bekrachtigd, zal ik de gevangenen vrijlaten uit de put zonder water. [12] Keer terug naar de burcht, gevangenen. Jullie hoop is niet vergeefs geweest, want ook nu geldt de toezegging aan Sion: ik zal je dubbel schadeloosstellen. [13] Juda span ik als mijn boog, Efraïm richt ik als mijn pijl, en jouw zonen, Sion, hef ik als een heldenzwaard tegen de Grieken. [14] De HEER zal boven hen verschijnen: zijn pijlen flitsend als bliksemschichten, zijn ramshoorn grommend als de donder trekt God, de HEER, op in een zuiderstorm. [15] De HEER van de hemelse machten is hun schild. Ze zullen de vijand verslinden en zijn slingerstenen verbrijzelen, ze zullen zijn bloed drinken tot ze dronken zijn, tot ze ervan overlopen als een plengschaal en met bloed besmeurd zijn als de hoeken van een altaar. [16] Op die dag zal God, de HEER, zijn volk als een kudde in veiligheid brengen. Als edelstenen in een kroon zullen ze fonkelen op zijn land. [17] Wat schitterend! Wat mooi! Jonge mannen en vrouwen bloeien op, gesterkt door wijn en graan.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.