De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Het eerste boek Makkabeeën
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 2
Mattatias en zijn zonen
[1] In die tijd trok Mattatias, een zoon van Johannes en kleinzoon van Simeon, een priester uit het geslacht van Jojarib, weg uit Jeruzalem en vestigde zich in Modeïn. [2] Hij had vijf zonen: Johannes, bijgenaamd Gaddi, [3] Simeon, die Tassi genoemd werd, [4] Judas, die de Makkabeeër genoemd werd, [5] Eleazar, die Avaran genoemd werd, en Jonatan, die Affus genoemd werd. [6] Bij het zien van de godslasterlijke dingen die in Juda en met name in Jeruzalem gebeurden, [7] riep hij uit: ‘Wee mij! Ben ik geboren om getuige te zijn van de vernietiging van mijn volk en de verwoesting van de heilige stad; moet ik machteloos toezien hoe de stad aan de vijanden is uitgeleverd en de tempel in de macht van vreemdelingen is? [8] Jeruzalems tempel is als een man zonder aanzien, [9] zijn prachtig vaatwerk is als buit weggevoerd. Jeruzalems kleine kinderen zijn omgebracht op haar pleinen, haar jonge mannen zijn door het zwaard van de vijand gedood. [10] Is er een volk dat geen deel van haar koninkrijk heeft gekregen en dat zich niet aan haar bezit verrijkt heeft? [11] Al haar sieraden zijn haar afgenomen, van vrije vrouw is zij slavin geworden. [12] Kijk eens hoe ons heiligdom, ons pronkjuweel, onze roem verlaten ligt, want de naties hebben het ontwijd. [13] Waartoe leven we nog?’
     [14] Mattatias en zijn zonen scheurden* hun kleren stuk, hulden zich in zakken en gaven zich over aan bittere weeklachten.

Het begin van verzet
     [15] Op zekere dag kwamen de koninklijke beambten die de bevolking tot het afvallen van de wet moesten dwingen in de stad Modeïn, om er offers op te dragen. [16] Veel Israëlieten gingen naar hen toe, maar Mattatias en zijn zonen hielden zich afzijdig. [17] De koninklijke beambten richtten zich daarom tot Mattatias met deze woorden: ‘U bent een man van gezag in deze stad; u geniet eer en aanzien en hebt de steun van zonen en broers. [18] Treed dus als eerste naar voren om het bevel van de koning te volbrengen. Alle naties hebben er reeds gevolg aan gegeven en ook de Judeeërs, met name degenen die nog in Jeruzalem wonen. Doe wat de koning vraagt, dan zullen u en uw zonen worden opgenomen onder de vrienden* van de koning, dan zullen u en uw zonen geëerd worden met goud, zilver en allerlei andere geschenken.’
     [19] Hierop antwoordde Mattatias met luide stem: ‘Al gehoorzamen alle naties in het rijk aan de koning, al valt iedereen van de godsdienst van zijn voorvaderen af om zich naar zijn bevelen te voegen, [20] ik, mijn zonen en mijn broers blijven trouw aan het voorvaderlijk verbond. [21] Moge God ons ervoor behoeden de leer en haar geboden te verloochenen. [22] Wij geven geen gehoor aan het bevel van de koning en we zullen in geen enkel opzicht afwijken van hetgeen onze godsdienst ons gebiedt.’
     [23] Nauwelijks had hij dat gezegd of voor hun aller ogen trad een Judeeër naar voren om volgens het bevel van de koning op het afgodenaltaar van Modeïn te offeren. [24] Toen Mattatias dat zag, ontbrandde hij in hevige woede en hij trilde van verontwaardiging; hij gaf de vrije loop aan zijn rechtmatige woede, sprong naar voren en sneed de Judeeër op het afgodsaltaar de keel af; [25] daarna doodde hij ook de koninklijke beambte, die gekomen was om het volk tot offeren te dwingen, en vernielde het afgodsaltaar. [26] Zo toonde hij zijn ijver voor de leer evenals Pinechas dat gedaan had met betrekking tot Zimri, de zoon van Sallum. [27] Mattatias trok door de stad en riep met luide stem: ‘Iedereen die zijn ijver voor de leer wil tonen en het opneemt voor het verbond, volg mij!’ [28] Hijzelf en zijn zonen lieten have en goed in de stad achter en vluchtten het gebergte in.

Zelfverdediging op de sabbat
     [29] In die tijd waren velen die rechtvaardig en volgens de leer wilden leven, uitgeweken naar de woestijn en daar hadden ze zich gevestigd [30] met hun zonen, hun vrouwen en hun vee; de toestand was voor hen ondraaglijk geworden. [31] Toen werd aan de koninklijke beambten en het garnizoen dat in Jeruzalem in de Davidsstad lag gemeld, dat lieden die zich van het bevel van de koning niets hadden aangetrokken naar de schuilplaatsen in de woestijn waren uitgeweken. [32] Zij achtervolgden hen met een groot leger. Zij troffen hen en sloegen hun kamp tegenover hen op. Op de sabbat ging het leger tot de aanval over, [33] al roepend: ‘Nu is het genoeg! Kom tevoorschijn en doe wat de koning beveelt, dan zullen jullie in leven blijven.’ [34] Maar zij antwoordden: ‘Wij komen niet tevoorschijn: wij zijn niet van plan om op bevel van de koning de sabbat te schenden.’ [35] Onmiddellijk ging men tot de aanval over. [36] Maar zij verweerden zich niet, slingerden geen stenen naar hen en sloten de toegang tot hun schuilplaats zelfs niet af. [37] Zij zeiden: ‘Wij willen allen in onschuld de dood ingaan; hemel en aarde zijn onze getuigen dat jullie ons wederrechtelijk doden.’ [38] Het leger viel hen op de sabbat aan en ongeveer duizend personen, mannen, vrouwen en kinderen, vonden met hun vee de dood.
     [39] Toen Mattatias en zijn vrienden dit vernamen rouwden ze over hen. [40] Daarop zeiden ze tegen elkaar: ‘Als wij allemaal doen zoals onze broeders en niet voor het behoud van ons leven en onze gerechtigheid strijden tegen de naties, zullen ze ons al heel gauw van de aarde verdelgd hebben.’ [41] Nog diezelfde dag namen ze dit besluit: ‘Als men ons op sabbat aanvalt, zullen wij ons verdedigen om niet te sterven zoals onze broeders, die in hun eigen schuilplaatsen zijn omgekomen.’ [42] In die tijd sloot de partij van de Chasideeën* zich bij hen aan; het waren strijdvaardige Israëlieten die met hart en ziel voor de leer opkwamen. [43] Ook al degenen die ten gevolge van de ellendige toestand de vlucht namen, kwamen hun gelederen versterken. [44] Zij vormden nu een leger en in hun razernij sloegen ze de zondaars neer; in hun woede degenen die zich om de leer niet bekommerden. De overigen wisten zich te redden door naar de naties te vluchten. [45] Mattatias en zijn vrienden trokken door het land, vernielden de afgodsaltaren, [46] lieten onbesneden kinderen die ze in het gebied van Israël aantroffen, desnoods met geweld besnijden, [47] en verjoegen de overmoedigen. Onder hun leiding kwam het verzet op gang; [48] zij redden de leer uit de greep van de naties en hun koningen en gunden de zondaars geen triomf.

Dood van Mattatias
     [49] Toen de laatste dagen van Mattatias gekomen waren, zei hij tegen zijn zonen: ‘Nu versterkt zich de overmoed en de verachting, maar ook is er ellende en hevige woede. [50] Geef nu, mijn zonen, jullie leven voor het verbond van onze voorvaderen, om jullie ijver voor de leer te tonen. [51] Denk aan hetgeen onze voorvaderen generatie na generatie hebben gedaan, dan zullen ook jullie grote roem en een onsterfelijke naam verwerven. [52] Is Abrahams trouw niet gebleken toen hij beproefd werd en rekende God hem dat niet als gerechtigheid aan? [53] Jozef* hield zich aan het gebod, ook toen hij in het nauw gebracht werd, en hij werd heer van Egypte.
     [54] Pinechas, onze vader, heeft zijn ijver getoond en daarom ontving hij het priesterschap voor eeuwig. [55] Jozua vervulde zijn opdracht en daarom werd hij rechter over Israël. [56] Kaleb heeft getuigd voor het verzamelde volk en daarom kreeg hij bezit in het land. [57] Vanwege zijn vergevingsgezindheid verkreeg David voor altijd de koningstroon. [58] Elia heeft zijn ijver getoond voor de leer en daarom werd hij opgenomen in de hemel. [59] Chananja, Azarja en Misaël hadden vertrouwen en daarom zijn ze van de vlammen gered. [60] Daniël werd vanwege zijn onschuld gered uit de muil van de leeuwen.
     [61] Zo kunnen jullie nagaan van generatie op generatie, dat iedereen die op Hem vertrouwt niet bezwijkt. [62] Wees dus niet bang voor het dreigen van de zondaar, zijn glorie is mest en wormen; [63] vandaag verheven, morgen onvindbaar; teruggekeerd tot zijn eigen stof, zijn plannen zijn voorbij. [64] Kinderen, wees moedig en sterk voor de leer, want daardoor zullen jullie glorie verwerven. [65] Ik weet dat jullie broer Simeon een goede raadsman is: luister steeds naar hem, hij zal jullie vader zijn. [66] Judas de Makkabeeër is van jongs af een dappere krijger geweest: hij zal jullie legeraanvoerder zijn en de oorlog van het volk leiden. [67] Jullie moeten al degenen die de leer onderhouden rondom jullie verzamelen, dan kunnen jullie ons volk wreken [68] en de naties vergelden. Houd je aan de voorschriften van de leer.’ [69] Na zijn zonen gezegend te hebben werd Mattatias met zijn voorvaderen verenigd. [70] Hij stierf in het honderdzesenenveertigste jaar en werd begraven in het familiegraf in Modeïn. Heel Israël treurde in diepe rouw over hem.
Hoofdstuk 2
Mattatias
[1] In die tijd deed Mattatias, de zoon van Johannes, de zoon van Simon, van zich spreken. Hij was een priester uit de familie van Jojarib uit Jeruzalem en woonde in Modeïn. [2] Hij had vijf zonen: Johannes bijgenaamd Gaddi, [3] Simon bijgenaamd Tassi, [4] Judas bijgenaamd Makkabeüs, [5] Eleazar bijgenaamd Avaran en Jonatan bijgenaamd Affus. [6] Toen hij zag welke godslasterlijke taferelen zich in Judea en Jeruzalem afspeelden,
  [7] zei hij: ‘Ach, ben ik geboren om te zien
hoe mijn volk wordt vernietigd,
hoe de heilige stad wordt verwoest?
Moet ik toezien
hoe de stad aan de vijand wordt uitgeleverd,
hoe het heiligdom in handen valt van vreemden?
  [8] De tempel werd als een man zonder eer,
  [9] het kostbare tempelgerei werd als buit weggevoerd.
Jeruzalems kinderen werden gedood in de straten,
haar jonge mannen vielen door het zwaard van de vijand.
  [10] Welk volk bezit niet een deel van haar land,
heeft geen buit van haar bemachtigd?
  [11] Beroofd is zij van al haar sieraden,
zij is een slavin, haar vrijheid is haar ontnomen.
  [12] Onze heilige tempel is verwoest,
zijn pracht en praal zijn verdwenen,
vreemde volken hebben hem ontwijd.
  [13] Waarom nog zouden wij leven?’

     [14] Mattatias en zijn zonen scheurden hun kleren, trokken rouwgewaden aan en gaven zich over aan diepe rouw.

Begin van het verzet
     [15] Op zekere dag kwamen er afgezanten van de koning naar Modeïn. Ze moesten het volk dwingen zijn godsdienst af te zweren en erop toezien dat ook daar geofferd werd. [16] Veel Israëlieten gingen naar hen toe, en ook Mattatias en zijn zonen maakten hun opwachting. [17] De afgezanten van de koning richtten zich tot Mattatias: ‘U bent een leider en bezit macht en aanzien in deze stad, uw zonen en uw verwanten staan achter u. [18] Laat u de eerste zijn die het bevel van de koning opvolgt. Alle volken zijn u al voorgegaan, ook de inwoners van Judea en de mensen die nog in Jeruzalem wonen. Samen met uw zonen zult u tot de gunstelingen van de koning behoren, en u zult worden overladen met zilver, goud en vele andere geschenken.’ [19] Maar Mattatias antwoordde met luide stem: ‘Zelfs al zijn alle volken in het rijk van de koning hem gehoorzaam, zelfs al wordt iedereen de godsdienst van zijn voorouders ontrouw door de bevelen van de koning op te volgen, [20] dan nog zullen ik, mijn zonen en mijn verwanten trouw blijven aan het verbond van onze voorouders. [21] God verhoede dat we de wet en de voorschriften verloochenen. [22] Wij zullen het gebod van de koning niet gehoorzamen, noch zullen we ook maar een duimbreed afwijken van onze godsdienst.’ [23] Hij was nog niet uitgesproken, of er trad voor het oog van de menigte een Jood naar voren die overeenkomstig het bevel van de koning een offer wilde brengen op het altaar in Modeïn. [24] Mattatias zag het en werd woedend. Hij begon te trillen van verontwaardiging en liet, geruggensteund door de wet, zijn woede de vrije loop; hij rende op de man af en stak hem op het altaar neer. [25] Meteen doodde hij ook de afgezant van de koning die het volk tot offeren moest dwingen en haalde het altaar neer. [26] Zo toonde hij zijn toewijding aan de wet, zoals ook Pinechas eens had gedaan met Zimri, de zoon van Salu. [27] Daarna trok Mattatias door de stad en riep met luide stem: ‘Laat ieder die de wet is toegedaan en pal staat voor het verbond zich bij mij aansluiten.’ [28] Hij vluchtte met zijn zonen de bergen in, hun bezittingen lieten zij achter in de stad.
     [29] In die tijd trokken velen die rechtvaardig wilden leven en wilden vasthouden aan de wet naar de woestijn. Daar vestigden ze zich [30] samen met hun kinderen, hun vrouwen en hun vee, want de toestand was ondraaglijk geworden. [31] Algauw vernamen de koninklijke afgezanten en de troepen die in de Davidsburcht in Jeruzalem waren gelegerd dat er Israëlieten waren die het gebod van de koning hadden genegeerd en naar afgelegen schuilplaatsen waren gevlucht. [32] Met een grote legermacht gingen ze hen achterna en toen ze hen hadden opgespoord, sloegen ze in de buurt hun kamp op. Ze maakten zich op om hen op sabbat aan te vallen [33] en riepen: ‘Dit is jullie laatste kans! Als jullie in leven willen blijven, kom dan naar buiten en gehoorzaam het gebod van de koning.’ [34] Maar het antwoord van de Israëlieten luidde: ‘We komen niet naar buiten en zullen het gebod van de koning niet gehoorzamen; wij ontwijden de sabbat niet.’ [35] Onmiddellijk ging het leger tot de aanval over. [36] De Israëlieten verweerden zich niet, ze gooiden geen stenen en sloten hun schuilplaatsen niet af. [37] Ze zeiden: ‘We gaan liever in onschuld de dood in; de hemel en de aarde zijn onze getuigen dat jullie ons ten onrechte ombrengen.’ [38] En zo werden zij op sabbat aangevallen en afgeslacht, mannen, vrouwen en kinderen, ongeveer duizend in getal, samen met hun vee.
     [39] Toen Mattatias en de zijnen dit te weten kwamen, gaven zij zich over aan diepe rouw. [40] Ze zeiden tegen elkaar: ‘Als we allemaal zo handelen als onze broeders, als we ons leven en onze voorschriften niet verdedigen tegen vreemde volken, zullen we spoedig van de aarde worden weggevaagd.’ [41] En zij besloten die dag aldus: ‘Als iemand ons op sabbat aanvalt, vechten wij terug, zodat we niet allemaal omkomen zoals onze broeders die in hun schuilplaatsen gedood werden.’
     [42] In die tijd voegde zich een groep Chasideeën bij hen, strijdvaardige Israëlieten die bereid waren zich in te zetten voor de wet. [43] Ook mensen die de onderdrukking waren ontvlucht, sloten zich bij hen aan om hun gelederen te versterken. [44] Gezamenlijk brachten ze een leger op de been, en in woede en razernij doodden ze afvalligen en wetsverachters. Wie kon ontkomen vluchtte naar heidens gebied om zich in veiligheid te brengen. [45] Mattatias en zijn vrienden trokken rond en haalden altaren neer. [46] Als ze onbesneden jongens in het gebied van Israël vonden, dan lieten ze die onder dwang besnijden. [47] Ze achtervolgden hun hoogmoedige vijanden, en hun verzet was succesvol. [48] Ze redden de wet uit de greep van de heidenen en hun vorsten, en gunden de afvalligen geen macht.

Mattatias’ afscheidsrede
     [49] Toen Mattatias voelde dat hij niet lang meer te leven had, zei hij tegen zijn zonen: ‘Nu breekt een tijd aan van hoogmoed en straf, van verschrikkingen en hevige toorn. [50] Mijn zonen, toon jullie toewijding aan de wet en wees bereid je leven te geven voor het verbond van onze voorouders. [51] Denk aan wat onze voorouders generaties lang hebben gedaan, dan zullen jullie eeuwige naam en faam verwerven. [52] Bleek Abraham niet trouw te zijn toen hij op de proef werd gesteld, en is hem dat niet als een rechtvaardige daad toegerekend? [53] Jozef hield zich aan het gebod, zelfs toen hij in het nauw werd gebracht, en hij werd koning van Egypte. [54] Onze voorvader Pinechas ontving voor zijn grote toewijding de plechtige belofte van het eeuwige priesterschap. [55] Jozua vervulde zijn opdracht en werd rechter over Israël. [56] Kaleb getuigde voor het volk van zijn vertrouwen en kreeg daarom een deel van het land in zijn bezit. [57] David verkreeg dankzij zijn vroomheid het eeuwige koningschap. [58] Elia werd in de hemel opgenomen omdat hij zich met volle overgave voor de wet had ingezet. [59] Chananja, Azarja en Misaël vertrouwden op God en werden zo uit het vuur gered. [60] Daniël werd wegens zijn onschuld uit de muil van leeuwen bevrijd. [61] Hieruit blijkt dat ieder die zijn hoop op God vestigt wordt gesterkt, elke generatie opnieuw. [62] Wees niet bang voor de woorden van de zondaar, want zijn roem zal vergaan tot mest en wormen. [63] Vandaag wordt hij geëerd, maar morgen is hij verdwenen; hij zal weer tot stof worden, zijn plannen zullen op niets uitlopen. [64] Mijn zonen, wees moedig en sta sterk voor de wet, want door de wet zullen jullie roem verwerven. [65] Simon hier, jullie broer, is een goed raadsman, dat weet ik. Luister steeds naar hem, hij zal een vader voor jullie zijn. [66] Judas Makkabeüs is van jongs af aan de sterkste geweest. Hij zal jullie legeraanvoerder zijn en de oorlog tegen de vreemde volken leiden. [67] Verzamel om jullie heen al diegenen die de wet navolgen en wreek jullie volk. [68] Reken af met de heidenen en houd vast aan wat de wet voorschrijft.’ [69] Daarna zegende hij hen en werd hij met zijn voorouders verenigd. [70] Hij stierf in het jaar 146 en werd bijgezet in het graf van zijn voorouders in Modeïn. Heel Israël rouwde om zijn dood.



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties