De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Het eerste boek Makkabeeën
WB 
  NBV 
 


Strijd in het Overjordaanse
     [24] Judas de Makkabeeër en zijn broer Jonatan staken de Jordaan over. Na een mars van drie dagen door de woestijn [25] ontmoetten zij Nabateeërs, die hen vriendelijk ontvingen en hun alles vertelden wat hun broeders in Gilead was overkomen. [26] ‘Velen van hen zitten ingesloten in Bosorra* en Bozor, in Alema, Chasfo, Maked en Karnaïn, stuk voor stuk sterke en grote steden; [27] ook in de overige steden van Gilead zijn er ingesloten. En er worden maatregelen getroffen om morgen de vestingen aan te vallen, in te nemen en iedereen op één en dezelfde dag om te brengen.’ [28] Hierop veranderden Judas en zijn leger meteen hun plan en sloegen ze de weg naar de woestijn van Bosorra in. Zij veroverden die stad, joegen alle mannen over de kling, maakten hun bezittingen buit en staken de stad in brand. [29] ’s Nachts vertrokken zij vanuit daar en rukten op naar de vesting. [30] Toen het licht werd zagen ze een ontelbare menigte die ladders en stormtuig aansjouwden om zich van de vesting meester te maken, terwijl ze vanuit de vesting bestookt werden. [31] Judas begreep dat de strijd al ontbrand was. Terwijl uit de stad luid geschreeuw en trompetgeschal ten hemel steeg, [32] zei Judas tegen zijn manschappen: ‘Strijd vandaag voor uw broeders!’ [33] In drie groepen vielen zij, onder trompetgeschal en het uitroepen van gebeden, de belegeraars van achteren aan. [34] Toen het leger van Timoteüs bemerkte dat het de Makkabeeër was, sloeg het op de vlucht. Judas bracht hun zware verliezen toe: die dag sneuvelden er van hen ongeveer achtduizend man. [35] Daarvandaan ging Judas naar Alema, viel het aan en veroverde het; hij doodde alle mannen, plunderde de stad en stak haar in brand. [36] Daarna trok hij verder en veroverde Chasfo, Maked, Bozor en de overige steden van Gilead.
     [37] Na deze gebeurtenissen bracht Timoteüs een nieuw leger op de been en hij sloeg zijn kamp op tegenover Rafon, aan de overzijde van de beek. [38] Judas stuurde spionnen om het kamp te verkennen. Deze meldden hem: ‘Alle naties rondom ons hebben zich bij hem aangesloten, zodat hij over een zeer groot leger beschikt; [39] ook Arabieren heeft hij als hulptroepen ingehuurd. Ze hebben hun kamp opgeslagen aan de overzijde van de beek en staan klaar om tegen u op te trekken.’ Judas ging ze tegemoet. [40] Toen Judas met zijn leger de beek, die vol water stond, naderde, zei Timoteüs tegen zijn legeroversten: ‘Als hij vóór ons de beek oversteekt, zijn wij niet in staat hem het hoofd te bieden, dan is hij ons zeker de baas; [41] maar als hij bang is en aan de overzijde van de beek zijn kamp opslaat, dan steken wij over en zijn we hem de baas.’ [42] Toen Judas bij de beek gekomen was, liet hij de volksschrijvers* aan de beek postvatten met dit bevel: ‘Zorg ervoor dat niemand zijn tent opslaat, maar dat iedereen gaat strijden.’ [43] Judas stak als eerste naar de vijand over, gevolgd door heel het leger. De naties moesten voor hen wijken, wierpen hun wapens weg en vluchtten naar de tempel van Karnaïn. [44] Maar zij veroverden de stad en staken de tempel met iedereen die erin was in brand. Karnaïn werd onderworpen en was niet meer in staat zich tegen Judas te verzetten.
     [45] Judas bracht alle Israëlieten die in Gilead woonden, van hoog tot laag, met hun vrouwen, kinderen en bezittingen bijeen en trok met heel die menigte naar het land van Juda. [46] Zo bereikten ze Efron, een grote en zwaar versterkte stad; de weg liep door de stad heen en het was niet mogelijk om er links of rechts langs te trekken. [47] De inwoners van de stad sloten hen buiten en blokkeerden de poorten met stenen. [48] Judas maakte zijn vreedzame bedoelingen kenbaar: ‘Wij willen door uw gebied trekken om naar ons land te gaan; niemand zal u enig kwaad doen, wij willen alleen maar vrije doortocht.’ Maar men weigerde de poorten voor hem te openen. [49] Toen liet Judas in zijn leger afkondigen dat iedereen halt moest houden op de plaats waar hij zich bevond. [50] Daarna ging zijn leger tot de aanval over en bestookte de stad heel die dag en heel die nacht, waarna ze zich overgaf. [51] Hij joeg alle mannen over de kling, hij maakte de stad met de grond gelijk en trok met de buit over de lijken heen door de stad. [52] Daarna staken ze de Jordaan over naar de grote vlakte van Bet-San. [53] Intussen zorgde Judas ervoor dat de achterblijvers weer bij de groep kwamen en gedurende de hele tocht moedigde hij het volk aan. Na hun aankomst in het land van Juda [54] beklommen ze vol vreugde en blijdschap de berg Sion en droegen er brandoffers op, omdat er niemand van hen was gesneuveld, maar iedereen veilig was teruggekeerd.
[24] Intussen waren Judas Makkabeüs en zijn broer Jonatan de Jordaan overgestoken en drie dagen door de woestijn getrokken. [25] Daar stuitten ze op een groep Nabateeërs die hun vriendelijk tegemoet traden en vertelden in welke omstandigheden de Joden in Gilead verkeerden: [26] ‘Velen van hen zijn ingesloten in de grote vestingsteden Bosorra, Bozor, Alema, Chasfo, Maked en Karnaïn, [27] en ook in andere steden in Gilead zitten Joden ingesloten. Er worden voorbereidingen getroffen om deze vestingen morgen aan te vallen en in te nemen en de Joden allemaal diezelfde dag nog te vernietigen.’ [28] Hierop keerde Judas met zijn leger door de woestijn terug naar Bosra. Hij veroverde de stad, doodde alle mannen, plunderde de huizen en stak de stad in brand. [29] ’s Nachts vertrok hij van daar en reisde naar de vesting van Datema. [30] Vroeg in de ochtend zagen ze een enorme menigte die de aanval opende en met ladders en stormtorens de vesting probeerde te veroveren. [31] Judas begreep dat de strijd begonnen was. Uit de stad steeg luid geschreeuw en geroep ten hemel en er klonk trompetgeschal. [32] Hij riep zijn mannen toe: ‘Strijd vandaag voor ons volk!’ [33] En in drie afdelingen vielen zij, onder trompetgeschal en het uitroepen van gebeden, de vijand in de rug aan. [34] Zodra de strijders van Timoteüs in de gaten kregen dat ze met de Makkabeeër van doen hadden, sloegen ze op de vlucht. Judas bracht hun een zware nederlaag toe; er sneuvelden die dag bijna achtduizend man. [35] Daarna boog Judas af naar Maäfa.* Hij deed een aanval op de stad, nam haar in en doodde alle mannelijke inwoners. Hij plunderde de stad en stak haar in brand. [36] Van daar trok hij verder en veroverde Chasfo, Maked, Bozor en de overige steden van Gilead. [37] Na deze gebeurtenissen bracht Timoteüs een ander leger op de been en sloeg hij zijn kamp op tegenover Rafon, aan de overzijde van de wadi. [38] Judas zond verkenners uit om het kamp te bespieden. Zij meldden hem het volgende: ‘Hij beschikt over een reusachtige legermacht, want alle volken uit de omtrek hebben zich bij hem aangesloten, [39] en hij heeft ook nog Arabische troepen gehuurd. Zij hebben hun kamp opgeslagen aan de overkant en staan klaar om u aan te vallen.’ Judas trok op, de strijd tegemoet, [40] en naderde de wadi, die vol water stond. Timoteüs zei tegen zijn legeraanvoerders: ‘Wanneer hij als eerste oversteekt kunnen we niets tegen hem beginnen, dan zal hij zeker sterker zijn dan wij. [41] Maar als hij laf is en aan de overkant blijft, dan steken wij over en zijn wij sterker dan hij.’ [42] Bij de wadi aangekomen stelde Judas soldaat-schrijvers aan de oever op en gaf hun dit bevel: ‘Zorg ervoor dat niemand in het kamp achterblijft en dat iedereen zich in de strijd werpt.’ [43] Zelf stak hij als eerste over, en alle manschappen volgden hem. De heidenen werden vernietigend verslagen, ze gooiden hun wapens weg en vluchtten naar het heiligdom van Karnaïn. [44] Maar de Joden veroverden de stad en staken het heiligdom met iedereen erin in brand. Zo werd Karnaïn verslagen, en er was niemand die Judas nog weerstand kon bieden.
     [45] Judas bracht alle Israëlieten bijeen die in Gilead woonden, van jong tot oud, met hun vrouwen, kinderen en hun bezittingen, een enorme mensenmenigte, om op weg te gaan naar Judea. [46] Ze trokken tot aan Efron, een grote, zwaar versterkte stad die op hun weg lag. Het was niet mogelijk links of rechts om de stad heen te trekken, ze moesten er dwars doorheen. [47] De inwoners van de stad sloten de weg voor hen af en blokkeerden de poorten met stenen. [48] Judas zond boden naar hen toe met een vreedzame boodschap: ‘Laat ons door jullie gebied trekken om naar ons land te gaan. Niemand zal jullie kwaad doen, we willen alleen te voet door de stad trekken.’ Maar ze openden de poorten niet. [49] Toen liet Judas in het legerkamp omroepen dat iedereen op de plaats waar hij was zijn stelling moest innemen. [50] De mannen stelden zich op en bestookten de stad de hele dag en de hele nacht, totdat ze haar in handen hadden. [51] Judas doodde alle mannen, maakte de stad met de grond gelijk en trok met de buit over de lijken heen door de stad. [52] Hij stak de Jordaan over naar de grote vlakte bij Bet-San. [53] Hij zorgde ervoor dat de achterblijvers niet verder achterop raakten en sprak het volk gedurende de hele weg moed in, totdat ze Judea bereikten. [54] Daar bestegen ze vol blijdschap en vreugde de Sion en brachten er brandoffers, omdat ze niemand hadden verloren en iedereen veilig was teruggekeerd.



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties