Hoofdstuk 8 De roem van Rome [1] Judas had over de Romeinen horen zeggen dat ze machtig en welwillend waren tegenover iedereen die toenadering zocht en dat ze vriendschap sloten met iedereen die zich tot hen wendde. [2] Dat ze machtig waren bleek uit wat men hem vertelde over hun oorlogen en heldendaden in het gebied van de Galatiërs; hoe ze hen hadden overwonnen en schatplichtig hadden gemaakt; [3] over hun verrichtingen in Spanje om zich meester te maken van de goud- en zilvermijnen in dat land; [4] hoe zij heel dat gebied, ondanks de zeer grote afstand, door hun beleid en volharding in hun macht hadden gekregen. Koningen die van het einde van de aarde tegen de Romeinen waren opgetrokken, hadden ze verslagen en zware verliezen toegebracht, terwijl de overigen hun jaarlijks schatting moesten betalen. [5] Ze hadden Filippus, Perseus, de koning van de Kittiërs, en anderen die tegen hen waren opgestaan, in een oorlog verslagen en onderworpen. [6] Zelfs Antiochus* de Grote, de koning van Azië, die met honderdtwintig olifanten en met ruiters, strijdwagens en zeer veel voetvolk tegen hen ten strijde was getrokken, was door hen verslagen. [7] Zij hadden hem levend gevangen genomen en hem en zijn troonopvolgers verplicht een hoge schatting te betalen, gijzelaars te geven en enkele van zijn beste provincies af te staan, [8] met name Indië, Medië en Lydië; zij hadden die gebieden weer overgedragen aan koning Eumenes. [9] Toen het plan van de Grieken om de Romeinen uit te roeien [10] hun ter ore was gekomen, hadden ze slechts één veldheer op de Grieken afgestuurd om met hen de strijd* aan te binden: veel Grieken sneuvelden, hun vrouwen en kinderen werden gevangen weggevoerd, hun bezittingen geplunderd, hun land in bezit genomen, hun vestingen werden ontmanteld en het volk werd onderworpen; het is onderworpen gebleven tot op de dag van vandaag. [11] Ook de overige koninkrijken en eilanden die zich ooit tegen de Romeinen hadden verzet, hadden ze vernietigd en onderworpen. Maar met hun vrienden en met degenen die op hen rekenden, onderhielden ze vriendschappelijke betrekkingen. [12] Ze heersten over koningen dichtbij en veraf; alleen al het horen van hun naam boezemde ontzag in. [13] Degenen die zij willen helpen om koning te worden, worden koning, maar naar believen zetten zij koningen ook weer af. Hoewel ze dus zeer machtig waren geworden, [14] had toch niemand van hen de diadeem opgezet of zich in purper gestoken om daardoor in aanzien te stijgen. [15] Zij hadden een raadhuis gebouwd en daar vergaderden dagelijks driehonderdtwintig man, steeds bezig met de vraag hoe zij het welzijn van het volk konden bevorderen. [16] Elk jaar vertrouwden zij het bestuur en beheer van heel hun gebied toe aan één man, aan wie iedereen gehoorzaamde zonder nijd of afgunst.
Bondgenootschap met Rome [17] Judas koos Eupolemus, de zoon van Johannes uit het geslacht van Hakkos uit, en Jason, de zoon van Eleazar, en stuurde hen naar Rome om met de Romeinen vriendschap te sluiten en een bondgenootschap aan te gaan, [18] en zodoende te bereiken dat zij het juk van de Grieken van hun schouders zouden nemen, want het moest de Romeinen duidelijk zijn dat die Israël onderdrukten. [19] Zij vertrokken dus en kwamen na een zeer lange reis in Rome aan. Daar legden ze voor de senaat de volgende verklaring af: [20] ‘Judas, ook de Makkabeeër genoemd, zijn broers en de natie van de Judeeërs hebben ons naar u toe gezonden, om met u een verbond te sluiten en vriendschapsbetrekkingen aan te knopen, om opgenomen te worden onder uw bondgenoten en vrienden.’ [21] Dat verzoek werd welwillend ontvangen. [22] Hier volgt een afschrift van de brief, die ze op bronzen* platen lieten graveren en naar Jeruzalem stuurden als een gedenkteken van de vriendschapsbetrekkingen en het bondgenootschap: [23] ‘Heil aan de Romeinen en het volk van de Judeeërs te land en ter zee in eeuwigheid! Mogen zwaard en vijand ver van hen blijven! [24] Als Rome of één van zijn bondgenoten, waar ook binnen zijn machtssfeer, het eerst in oorlog geraakt, [25] dan zal de natie van de Judeeërs naarmate de omstandigheden het van hen eisen, vastbesloten aan de zijde van Rome strijden. [26] Aan de vijanden zal het geen voedsel, wapens, geld of schepen geven of ter beschikking stellen. Aldus heeft Rome besloten. Het zal zijn verplichtingen nakomen zonder tegenprestatie. [27] Van hun kant zullen de Romeinen, als het volk van de Judeeërs het eerst in oorlog geraakt, bereidwillig aan hun zijde strijden naarmate de omstandigheden dat van hen eisen. [28] Aan de vijanden zullen zij geen voedsel, wapens, geld of schepen verstrekken. Aldus heeft Rome besloten. Zij zullen deze verplichting zonder bedrog nakomen. [29] Volgens deze termen hebben de Romeinen met het volk van de Judeeërs een verbond gesloten. [30] Zou in de toekomst één van beide partijen iets willen toevoegen of weglaten, dan zal, als het met goedvinden van de andere partij geschiedt, de toevoeging of de weglating van kracht worden. [31] Wij hebben koning Demetrius, naar aanleiding van het onrecht dat hij de Judeeërs aandoet, het volgende geschreven: “Waarom legt u de Joden, die onze vrienden en bondgenoten zijn, zo’n zwaar juk op? [32] Als zij opnieuw klachten tegen u inbrengen, zullen wij hun recht doen en u te land en ter zee bestrijden.” ’
Hoofdstuk 8 Verdrag met de Romeinen [1] Judas had over de Romeinen horen zeggen dat ze oppermachtig waren, dat ze iedereen die toenadering zocht welwillend bejegenden en met allen die dat wilden een vriendschapsverdrag sloten. [2] Dat ze oppermachtig waren bleek uit wat hem verteld werd over hun oorlogen en heldendaden tegen de Galliërs, die ze overmeesterd hadden en schatplichtig gemaakt. [3] Er werd verteld wat ze in Spanje gedaan hadden om zich meester te maken van de zilver- en goudmijnen aldaar; [4] hoe ze het hele gebied strategisch en met beleid hadden weten te veroveren – een gebied dat zeer ver van Rome verwijderd was – en ook dat ze de koningen die vanaf de uiteinden van de aarde tegen hen optrokken een vernietigende nederlaag hadden toegebracht en de overlevenden een jaarlijkse belasting hadden opgelegd. [5] Filippus en Perseus, de Macedonische vorsten, en alle anderen die tegen hen in opstand waren gekomen, hadden ze in een oorlog vernietigend verslagen en aan zich onderworpen. [6] Zelfs Antiochus de Grote van Asia, die toch met honderdtwintig olifanten, paarden en wagens en een zeer groot leger tegen hen was opgetrokken, was door hen verslagen. [7] Ze hadden hem levend gevangengenomen en hem en zijn troonopvolgers een hoge belasting opgelegd; bovendien had hij gijzelaars moeten leveren en een deel van zijn gebied moeten afstaan. [8] Ze namen hem India, Medië en Lydië af, de mooiste landstreken die hij bezat, en schonken die aan koning Eumenes. [9] Toen een plan van de Grieken om hen aan te vallen en uit te roeien [10] aan de Romeinen bekend werd, hadden zij slechts één bevelhebber op hen afgestuurd. Ze hadden oorlog gevoerd met de Grieken, velen van hen verwond, hun vrouwen en kinderen gevangengenomen, hun huizen geplunderd, hun land in bezit genomen, hun vestingen neergehaald en hen aan zich onderworpen, tot op de dag van vandaag. [11] Ook alle andere koninkrijken en eilanden die zich op enig moment tegen hen hadden verzet, waren door hen verslagen en onderworpen. [12] Maar met hun bondgenoten en allen die zich op hen verlieten, onderhielden ze vriendschappelijke betrekkingen. Ze onderwierpen de koninkrijken in de buurt en in verre streken, en hun naam boezemde iedereen ontzag in. [13] Wie ze wilden helpen om koning te worden, werd ook koning; de koningen die ze kwijt wilden, zetten ze af. Zo stegen ze in macht en aanzien. [14] Desondanks had geen van hen de koninklijke hoofdband omgedaan of het purper omgehangen ter meerdere eer en glorie van zichzelf. [15] In plaats daarvan hadden ze voor zichzelf een senaat ingesteld, die dagelijks met driehonderdtwintig man vergaderde en steeds het welzijn van het volk voor ogen hield. [16] Ieder jaar vertrouwden ze één man het leiderschap toe, die over hen en het gehele land regeerde, en iedereen gehoorzaamde hem zonder nijd of afgunst. [17] Judas koos Eupolemus, de zoon van Johannes uit de familie van Hakkos, en Jason, de zoon van Eleazar, en stuurde hen naar Rome om met de Romeinen een vriendschapsverdrag te sluiten en een bondgenootschap aan te gaan. [18] De Romeinen zouden hen dan van het juk van de Grieken bevrijden, omdat ze wel zouden inzien dat Israël feitelijk onderworpen was aan het Griekse rijk. [19] Ze reisden naar Rome, een bijzonder lange reis, en gingen de senaat binnen met dit verzoek: [20] ‘Judas Makkabeüs, zijn broers en het Joodse volk hebben ons gestuurd om met u een vredesverbond te sluiten, zodat wij in het vervolg tot uw bondgenoten en vrienden gerekend worden.’ [21] Hun verzoek viel in goede aarde. [22] Dit is het afschrift van het verdrag dat ze op bronzen platen lieten graveren en terugstuurden naar Jeruzalem als bewijs van het vredesverbond: [23] ‘Mogen de Romeinen en het Joodse volk tot in eeuwigheid veel voorspoed kennen, te land en ter zee; mogen zij gespaard blijven voor oorlog en vijandschap. [24] Wanneer aan Rome of een van zijn bondgenoten in enig gebied de oorlog wordt verklaard, [25] zal het Joodse volk met volledige inzet hun bondgenoot zijn, voorzover de omstandigheden zulks toestaan. [26] Zij zullen de vijand geen graan, wapens, zilver of schepen geven of verschaffen, overeenkomstig de beslissing van Rome. Zij zullen hun verplichtingen nakomen zonder tegenprestatie. [27] Omgekeerd zullen de Romeinen, wanneer aan het Joodse volk de oorlog wordt verklaard, met volledige inzet hun bondgenoot zijn, voorzover de omstandigheden zulks toestaan. [28] Ook zij zullen de vijand geen graan, wapens, zilver of schepen verschaffen, overeenkomstig de beslissing van Rome, en hun verplichtingen eerlijk nakomen. [29] Op deze voorwaarden hebben de Romeinen en het Joodse volk een verbond gesloten. [30] Als een van beide partijen in de toekomst iets wil toevoegen of weglaten, dan zal deze toevoeging of weglating alleen geldig zijn met goedvinden van de wederpartij. [31] Over het onrecht dat koning Demetrius de Joden heeft aangedaan, hebben wij hem het volgende geschreven: “Waarom hebt u de Joden, onze vrienden en bondgenoten, zo’n zwaar juk opgelegd? [32] Als zij nog meer aanklachten tegen u inbrengen, zullen wij hun recht doen en u te land en ter zee bestrijden.”’
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.