De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Het eerste boek Makkabeeën
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 10
Demetrius I en Jonatan
[1] In het jaar honderdzestig trok Alexander* Epifanes, de zoon van Antiochus, naar Ptolemaïs en maakte zich meester van de stad. Hij riep zichzelf uit tot koning en men erkende hem. [2] Toen koning Demetrius dat hoorde, bracht hij zeer veel troepen bijeen en trok hij tegen hem ten strijde. [3] Tevens stuurde Demetrius aan Jonatan een zeer vriendelijke brief waarin hij hem beloofde zijn bevoegdheden uit te breiden. [4] ‘Want’, dacht hij, ‘wij moeten hem aan ons verbinden voordat hij met Alexander tegen ons samenspant; [5] het kwaad dat wij hem, zijn broers en zijn volk hebben berokkend heeft hij voor ogen.’ [6] Hij machtigde Jonatan om troepen te werven en wapens te vervaardigen en verklaarde hem tot zijn bondgenoot. Bovendien gaf hij het bevel om de gijzelaars die in de burcht waren aan hem terug te geven. [7] Jonatan ging met de brief naar Jeruzalem en las die ten aanhoren van heel het volk en de belegerde burcht voor. [8] Zij schrokken hevig toen ze hoorden dat de koning Jonatan machtigde om troepen te werven; [9] ze gaven hem de gijzelaars terug en hij gaf ze weer aan hun ouders. [10] Jonatan vestigde zich in Jeruzalem en maakte niet alleen een begin met de wederopbouw van de stad, maar gaf haar tegelijk een nieuw aanzien. [11] Hij gaf de werklieden het bevel om de stadsmuur weer op te bouwen en om de berg Sion als een vesting te omgeven met een muur van gehouwen stenen. Zo gebeurde het. [12] De vreemdelingen die in de vestingen lagen die Bakchides gebouwd had, namen de vlucht; [13] zij verlieten hun post en keerden naar hun land terug. [14] Alleen in Bet-Sur bevond zich nog een aantal van degenen die de leer en zijn geboden overboord hadden gegooid; die stad was een toevluchtsoord voor hen geworden.

Alexander en Jonatan
     [15] Koning Alexander hoorde van de beloften die Demetrius aan Jonatan had gedaan. En toen men vertelde van de oorlogen die hij en zijn broers gevoerd hadden, van de heldendaden die ze hadden verricht en van de moeilijkheden die ze hadden doorstaan, [16] zei hij: ‘Zo vind je er geen tweede! We moeten hem onmiddellijk tot onze vriend en bondgenoot zien te maken.’ [17] Hij schreef hem dus een brief, met de volgende inhoud:
     [18] ‘Koning Alexander aan zijn broeder Jonatan. Heil u! [19] Naar wij hebben vernomen bent u een machtig man, waard om onze vriend te zijn. [20] Hierbij stellen wij u vandaag aan tot hogepriester van uw natie en verlenen wij u de titel van vriend* van de koning.’ Hij stuurde hem ook een purperen mantel en een gouden krans. ‘Behartig dus onze belangen en betoon ons trouwe vriendschap.’
     [21] Op het Loofhuttenfeest in de zevende* maand van het jaar honderdzestig bekleedde Jonatan zich met de heilige gewaden. Hij verzamelde troepen en liet veel wapens vervaardigen.

Gunstiger voorstel van Demetrius
     [22] Demetrius hoorde dat en was pijnlijk getroffen. Hij zei:
[23] ‘Hoe hebben wij het toch zover laten komen! Alexander is ons voor geweest en heeft, om zijn positie te versterken, de vriendschap van de Judeeërs verworven.
[24] Ook ik zal een beroep op hen doen onder toezegging van voorrechten en schenkingen, om mij van hun hulp te verzekeren.’
[25] Hij schreef hun als volgt:

     [25] ‘Koning Demetrius aan het volk van de Joden. Heil! [26] Wij hebben met vreugde vernomen dat u de met ons gesloten verdragen bent nagekomen, de vriendschap met ons bent trouw gebleven en u niet hebt aangesloten bij onze vijanden. [27] Blijf ook nu in uw trouw jegens ons volharden; wij zullen alles wat u voor ons doet met weldaden vergelden, [28] u veel vrijstellingen verlenen en u met schenkingen begunstigen. [29] Hierbij ontsla en onthef ik u en alle Judeeërs van schatting, heffing op zout en kroongelden; [30] van het land Juda en van de drie districten van Samaria en Galilea die met ingang van vandaag voorgoed bij Juda worden ingelijfd, zal ik vanaf nu niet meer de afdracht eisen van het derde deel van de veldoogst en van de helft van de boomvruchten, die mij rechtens toekomen. [31] Jeruzalem zal heilig zijn en onbelast, evenals haar grondgebied, tienden en tolgelden. [32] Ook doe ik afstand van mijn gezag over de burcht in Jeruzalem en ik draag dat over aan de hogepriester, die er als bezetting de mannen kan plaatsen die hij wenst. [33] Aan alle Judeeërs die uit het land Judea naar welk deel van mijn rijk dan ook zijn weggevoerd, geef ik zonder enige losprijs de vrijheid terug en allen zullen hun belastingen, zelfs deze op hun vee, kwijtgescholden krijgen. [34] Alle Judeeërs in mijn rijk zullen op de feesten*, de sabbat, de nieuwe maan, op wettelijk vastgestelde dagen, op de drie dagen voor de feesten en op de drie dagen erna vrij zijn van tol en belasting. [35] Op die dagen heeft ook niemand het recht hen aan te houden of lastig te vallen met welke zaak dan ook.
     [36] Ongeveer dertigduizend Judeeërs zullen in het leger van de koning worden ingelijfd; zij ontvangen de soldij die vastgesteld is voor de troepen van de koning. [37] Een deel van hen zal gelegerd worden in de grote vestingen van de koning, anderen zullen vertrouwensposten in het rijk krijgen toegewezen; hun bevelhebbers en oversten zullen uit hun eigen rangen worden gekozen; zij mogen volgens hun eigen wetten leven zoals de koning dat heeft vastgesteld voor het land Judea.
     [38] De drie districten van de provincie Samaria die bij Judea zijn ingelijfd zullen zodanig met Judea verenigd zijn, dat zij aan geen ander gezag gehoorzaamheid verschuldigd zijn dan aan dat van de hogepriester. [39] Ptolemaïs en zijn grondgebied schenk ik aan het heiligdom van Jeruzalem, ten behoeve van de zakelijke uitgaven van het heiligdom. [40] Zelf zal ik jaarlijks vijftienduizend sikkels zilver geven ten laste van de inkomsten van de koning, uit steden die hem toebehoren. [41] Bovendien zullen de toelagen voor de tempeldienst die vroeger gebruikelijk waren, maar de laatste jaren niet door de ambtenaren zijn uitbetaald, vanaf nu weer worden verstrekt. [42] Verder worden de vijfduizend sikkels, die jaarlijks uit de inkomsten van het heiligdom als belasting voldaan moeten worden, kwijtgescholden op grond van het feit dat dit geld de dienstdoende priesters toebehoort. [43] Iedereen die vanwege schulden jegens de koning of anderszins zijn toevlucht* gezocht heeft in het heiligdom van Jeruzalem of binnen het tempelgebied, zal onschendbaar zijn met alle have en goed die hij in mijn rijk bezit.
     [44] De kosten van verbouwing en restauratie van het heiligdom komen voor rekening van de koning; [45] de kosten van de bouw van de muren van Jeruzalem en de verdedigingswerken komen voor rekening van de koning; hetzelfde geldt voor de bouw van de muren van de steden in Judea.’

Jonatan kiest voor Alexander
     [46] Toen Jonatan en het volk deze beloften hoorden, hechtten zij er geen geloof aan en gingen er niet op in. Ze herinnerden zich maar al te goed hoeveel kwaad Demetrius Israël berokkend had en hoe zwaar hij hen onderdrukt had. [47] Hun voorkeur ging uit naar Alexander, omdat in hun ogen zijn aanbod de beste waarborgen bood voor een vreedzame verhouding. Gedurende zijn regering bleven zij zijn bondgenoten.
     [48] Koning Alexander bracht een groot leger op de been en trok tegen Demetrius op. [49] De twee koningen bonden de strijd aan en het leger van Demetrius sloeg op de vlucht; Alexander achtervolgde het, kreeg de overhand [50] en zette de strijd hardnekkig voort tot zonsondergang. Diezelfde dag sneuvelde Demetrius. [51] Daarop stuurde Alexander gezanten naar Ptolemeüs, de koning van Egypte, met het volgende verzoek: [52] ‘Ik ben in mijn koninkrijk teruggekeerd, ik heb de troon van mijn voorvaderen bestegen en het bestuur in handen genomen. Ik heb Demetrius overwonnen en mij meester gemaakt van ons land. [53] Ik heb de strijd met hem aangebonden; hij is met zijn leger door ons verslagen en wij hebben bezit genomen van zijn koningstroon. [54] Laten we dus vriendschap met elkaar sluiten. Geef mij uw dochter tot vrouw en laat mij uw schoonzoon zijn. Ik zal aan u zowel als aan haar geschenken geven die u waardig zijn.’
     [55] Hierop antwoordde koning Ptolemeüs als volgt: ‘Gelukkig de dag waarop u naar het land van uw voorvaderen bent teruggekeerd en op hun koninklijke troon hebt plaatsgenomen. [56] Welnu, ik ben bereid aan uw verzoek te voldoen, maar laten we eerst in Ptolemaïs een ontmoeting hebben om elkaar beter te leren kennen; dan zal ik u overeenkomstig uw wens tot mijn schoonzoon maken.’ [57] Vergezeld van zijn dochter Kleopatra vertrok Ptolemeüs uit Egypte en kwam in het jaar honderdtweeënzestig* in Ptolemaïs aan, [58] waar de ontmoeting met koning Alexander plaatsvond. Ptolemeüs gaf hem zijn dochter Kleopatra tot vrouw en vierde in Ptolemaïs met koninklijke luister haar bruiloft.
     [59] Bij die gelegenheid schreef koning Alexander Jonatan een brief met het verzoek om bij hem te komen. [60] Met pracht en praal reisde Jonatan naar Ptolemaïs, waar hij een ontmoeting met beide koningen had. Hij bood hun en hun vrienden goud, zilver en allerlei andere geschenken aan en wist daardoor hun gunst te winnen. [61] Wel kwamen gemene kerels uit Israël, mensen die zich om de leer niet bekommerden, een aanklacht tegen hem indienen, maar de koning schonk hun geen gehoor. [62] Integendeel, hij gaf het bevel dat men Jonatan van zijn gewaad zou ontdoen om hem met purper te bekleden. Toen dat gebeurd was, [63] liet de koning hem naast zich plaatsnemen. Hij gaf zijn adjudanten het volgende bevel: ‘Trek met hem door de stad en maak bekend dat niemand het moet wagen enige beschuldiging tegen hem te uiten of hem lastig te vallen met welke zaak dan ook.’ [64] Toen de aanklagers de heraut hoorden en zagen hoe Jonatan, met purper bekleed, gehuldigd werd, sloegen ze allemaal op de vlucht. [65] De koning bewees hem grote eer door hem op te nemen onder zijn beste vrienden en hem tot veldheer en stadhouder te benoemen. [66] Daarna keerde Jonatan in vrede en vreugde naar Jeruzalem terug.

Verzet tegen Demetrius II
     [67] In het jaar honderdvijfenzestig* kwam Demetrius, de zoon van Demetrius, vanuit Kreta naar het land van zijn voorvaderen. [68] Razend van woede keerde koning Alexander naar Antiochië terug. [69] Demetrius bevestigde de functie van Apollonius, de stadhouder van Cele-Syrië. Deze bracht een groot leger op de been en sloeg zijn kamp op bij Jamnia. Vanuit daar stuurde hij de hogepriester Jonatan deze boodschap:
     [70] ‘U bent de enige die zich tegen ons verzet en vanwege uw verzet word ik uitgelachen en bespot. Met welk recht maakt u in het bergland tegen ons gebruik van uw macht? [71] Als u denkt te kunnen rekenen op uw troepen, daal dan af naar de vlakte, dan zullen we ons daar met elkaar meten. Aan mijn kant staan de troepen uit de steden. [72] Als u navraag doet en wilt weten wie ik ben en wie mijn helpers zijn, dan zal men u zeggen dat u tegen ons onmogelijk stand kunt houden. Uw voorvaderen zijn immers tot tweemaal toe in hun eigen land verslagen; [73] u kunt nog minder het hoofd bieden aan zo’n sterke ruiterij en aan zo’n sterk leger in een vlakte zonder steen en kiezel en zonder schuilplaats.’
     [74] Gegriefd door deze woorden van Apollonius koos Jonatan tienduizend soldaten uit en vertrok vanuit Jeruzalem; onderweg sloot zijn broer Simon zich met hulptroepen bij hem aan. [75] Hij trok op tegen Joppe*, waar een garnizoen van Apollonius lag. Toen de burgers de stadspoort voor Jonatan sloten, deed hij een aanval op de stad. [76] Bang geworden openden de burgers de poort en Jonatan maakte zich meester van Joppe.
     [77] Zodra Apollonius dit hoorde, trok hij met drieduizend ruiters en veel voetvolk in de richting van Azotus, ogenschijnlijk om daarheen te gaan; in feite wilde hij dieper de vlakte in, omdat hij zijn vertrouwen gesteld had in zijn grote ruiterij. [78] Jonatan ging hem achterna en haalde hem bij Azotus in, waar de legers slaags raakten. [79] Apollonius had heimelijk duizend ruiters achtergelaten die Jonatans leger in de rug moesten aanvallen. [80] Maar Jonatan kwam te weten dat de vijand zich achter hem in een hinderlaag gelegd had. Toen de ruiters zijn leger dan ook omsingelden en er hun pijlen op afschoten van de ochtend tot de avond, [81] hield het stand, zoals Jonatan bevolen had. Toen de paarden uitgeput waren, [82] trok Simon met zijn leger vooruit en bond de strijd aan met het voetvolk. Omdat de ruiterij uitgeschakeld was, werd het voetvolk door hem verslagen en nam het de vlucht, [83] terwijl de ruiterij zich over de vlakte verspreidde. De soldaten vluchtten naar Azotus en zochten hun toevlucht in Bet-Dagon, de tempel van hun god. [84] Maar Jonatan stak Azotus en de omliggende plaatsen in brand en plunderde ze; ook de tempel van Dagon gaf hij, met al degenen die er hun toevlucht hadden gezocht, aan de vlammen prijs. [85] Door het zwaard en door het vuur waren ongeveer achtduizend man omgekomen. [86] Jonatan vertrok daarvandaan en sloeg zijn kamp op voor Askelon. De burgers gingen naar hem toe en betuigden hem hun hulde. [87] Daarna keerden Jonatan en zijn mannen met veel buit naar Jeruzalem terug. [88] Toen koning Alexander van deze wapenfeiten hoorde, verleende hij Jonatan nog hogere eerbewijzen: [89] hij stuurde hem een gouden gesp, waarmee anders slechts personen van koninklijken bloede werden begiftigd. Verder gaf hij hem Akkaron met het ondergeschikte gebied in bezit.
Hoofdstuk 10
Rivaliteit tussen Demetrius I en Alexander Epifanes
[1] In het jaar 160 zette Alexander Epifanes, de zoon van Antiochus, koers naar Ptolemaïs en nam de stad in. De inwoners onthaalden hem en hij werd daar koning. [2] Toen koning Demetrius dit hoorde, mobiliseerde hij een grote troepenmacht en trok tegen hem ten strijde. [3] Ook stuurde Demetrius een brief aan Jonatan, waarin hij hem in vriendelijke bewoordingen meer macht beloofde, [4] want hij dacht: Wij moeten snel vrede met hem sluiten, voordat hij met Alexander een verbond sluit tegen ons, [5] want hij zal het kwaad dat wij hem, zijn broers en zijn volk berokkend hebben niet zijn vergeten. [6] Hij machtigde Jonatan om strijdkrachten te mobiliseren en wapens te vervaardigen, en verklaarde dat zij bondgenoten waren. Bovendien gaf hij opdracht de gijzelaars in de citadel aan Jonatan over te dragen. [7] Jonatan ging naar Jeruzalem en las de brief voor aan heel het volk en aan de bezetters van de citadel. [8] Die schrokken hevig toen ze hoorden dat de koning hem gemachtigd had om strijdkrachten te mobiliseren. [9] De bezetters van de citadel droegen de gijzelaars aan Jonatan over, en hij gaf ze terug aan hun ouders. [10] Jonatan ging in Jeruzalem wonen en begon met de wederopbouw van de stad. [11] Hij gaf werklieden opdracht de stadsmuur weer op te trekken en de Sion ter versterking met gehouwen stenen te omgeven. En zo gebeurde het. [12] De vreemdelingen die in de door Bakchides gebouwde vestingen gelegerd waren, vluchtten. [13] Ze verlieten hun post en keerden terug naar hun land. [14] Alleen in Bet-Sur bleven nog wat mensen achter die de wet en de voorschriften verloochend hadden; zij hadden daar hun toevluchtsoord gevonden.
     [15] Koning Alexander hoorde van de toezeggingen die Demetrius Jonatan had gedaan. En toen men hem vertelde van de veldslagen en heldendaden van Jonatan en zijn broers, en van de ontberingen die ze hadden geleden, [16] zei hij: ‘Zo is er geen tweede! We moeten hem onmiddellijk tot onze vriend en bondgenoot maken.’ [17] Hij stuurde een brief aan Jonatan met deze woorden:
     [18] ‘Koning Alexander groet zijn broeder Jonatan. [19] Naar wij hebben vernomen bent u een machtig man en bent u het waard onze bondgenoot te zijn. [20] Daarom benoemen wij u vandaag tot hogepriester van uw volk en verlenen u de titel Vriend van de koning. Bekommer u om onze zaak en wees trouw aan onze vriendschap.’ Met de brief stuurde hij hem een purperen mantel en een gouden krans.
     [21] In de zevende maand van het jaar 160, tijdens het Loofhuttenfeest, trok Jonatan het hogepriestergewaad aan. Hij bracht strijdkrachten bijeen en liet veel wapens maken.
     [22] Toen Demetrius hiervan hoorde, was hij danig ontstemd. Hij zei: [23] ‘Hoe hebben we kunnen laten gebeuren dat Alexander ons voor is geweest! Hij heeft vriendschap gesloten met de Joden en zo zijn positie versterkt. [24] Maar ook ik zal hartelijke woorden tot hen richten en hun hoge ambten en geschenken beloven, zodat ze mijn zijde kiezen.’ [25] En hij stuurde hun dit bericht: ‘Koning Demetrius groet het Joodse volk.
     [26] Naar wij hebben vernomen hebt u zich gehouden aan de met ons gesloten verdragen en bent u onze vriendschap trouw gebleven. U hebt zich niet aangesloten bij onze vijanden, en dit verheugt ons zeer. [27] Als u ons trouw blijft, zullen wij u rijkelijk belonen voor uw diensten. [28] Wij zullen u van de meeste verplichtingen ontslaan en u geschenken geven. [29] Hierbij verklaar ik u vrij en onthef ik alle Joden van schatting, zoutheffing en kroongelden. [30] Ook het derde van de veldoogst en de helft van de boomvruchten die mij rechtens toekomen, hoeft u niet meer af te dragen. Met ingang van heden zijn Judea en de drie districten van Samaria en Galilea, die ik bij dezen tot Judees grondgebied verklaar, daarvan voor altijd vrijgesteld. [31] Jeruzalem en zijn grondgebied zullen heilig zijn en ontheven van tienden en tolgelden. [32] Verder doe ik afstand van mijn bevoegdheden in de citadel van Jeruzalem en verleen ik de hogepriester het recht er naar believen mannen in garnizoen te leggen. [33] Alle Joden die als krijgsgevangene uit Judea zijn weggevoerd naar een plaats elders in mijn rijk, zal ik zonder losgeld vrijlaten. Over het vee mag geen belasting worden geheven. [34] Op feesten, sabbat, nieuwemaan en andere hoogtijdagen, evenals de drie dagen voor en de drie dagen na een feest zullen alle Joden in mijn rijk van belastingen zijn vrijgesteld, [35] en niemand heeft het recht op die dagen iets van hen te vorderen of hen om wat voor reden dan ook lastig te vallen. [36] Ongeveer dertigduizend Joden zullen als strijdkrachten van de koning worden ingeschreven; zij ontvangen dezelfde soldij als de overige koninklijke strijdkrachten. [37] Een deel van hen zal worden gelegerd in de grote burchten van de koning en een deel zal in het koninkrijk vertrouwensposten vervullen. Hun bevelhebbers en leiders zullen uit hun eigen gelederen worden gekozen en zij mogen volgens hun eigen wetten leven, zoals de koning dat voor het land Judea heeft bepaald. [38] De drie gebieden van Samaria die nu bij Judea zijn ingelijfd, zullen voortaan ook in bestuurlijk opzicht één zijn met Judea en onder het gezag van de hogepriester staan. [39] Ptolemaïs en bijhorend gebied schenk ik aan het heiligdom in Jeruzalem, zodat uit de opbrengst de kosten van de tempeldienst kunnen worden gedekt. [40] Zelf zal ik jaarlijks vijftienduizend sjekel zilver schenken van de inkomsten uit mijn domeinen. [41] Alle toelagen ten bate van de tempeldienst die door ambtenaren de laatste jaren niet zijn uitgekeerd, zullen vanaf heden weer worden betaald. [42] Ook de vijfduizend sjekel zilver die jaarlijks uit de inkomsten van de tempel gevorderd werden zal ik teruggeven, want ze komen toe aan de dienstdoende priesters. [43] Ieder die vanwege schulden bij de koning of om een andere reden in de tempel van Jeruzalem of het tempelgebied zijn toevlucht heeft gezocht, is met alles wat hij in mijn rijk bezit onschendbaar. [44] De kosten van de herbouw en vernieuwing van het heiligdom zijn voor rekening van de koning. [45] Ook de kosten van de bouw van de muren en verdedigingswerken rond Jeruzalem zijn voor rekening van de koning, evenals de kosten voor de vestingen in Judea.’

Jonatan blijft trouw aan Alexander
     [46] Jonatan en het volk hoorden Demetrius’ beloften vol ongeloof aan en ze gingen er niet op in. Ze herinnerden zich het grote onheil dat hij in Israël had aangericht en hoezeer hij hen had onderdrukt. [47] Zij hielden het bij Alexander, hij was tenslotte de eerste geweest die hun vrede had aangeboden, en ze bleven tot het einde toe zijn bondgenoot. [48] Koning Alexander bracht een grote strijdmacht op de been en stelde zich op tegenover Demetrius. [49] De twee koningen openden de strijd, en het leger van Alexander werd op de vlucht gedreven. Demetrius achtervolgde hem en kreeg de overhand. [50] Maar Alexander bood tot zonsondergang hardnekkig verzet, en diezelfde dag nog sneuvelde Demetrius.
     [51] Daarop stuurde Alexander gezanten naar koning Ptolemeüs van Egypte met de volgende boodschap: [52] ‘Ik ben in mijn koninkrijk teruggekeerd, ik heb de troon van mijn voorouders bestegen en heb het bestuur op me genomen. Demetrius heb ik verslagen, en de macht over het land is nu in mijn handen. [53] In de strijd die ik met hem aanbond is zijn leger door ons verslagen. Nu zetel ik op de troon van zijn rijk. [54] Laten wij vriendschap met elkaar sluiten: maak mij uw schoonzoon door mij uw dochter tot vrouw te geven. Ik zal u en haar geschenken geven die u beiden waardig zijn.’ [55] En koning Ptolemeüs antwoordde: ‘Ik prijs de dag waarop u bent teruggekeerd in het land van uw voorouders en de troon van hun koninkrijk hebt bestegen. [56] Ik ga graag op uw voorstel in. Maar laten wij elkaar eerst in Ptolemaïs ontmoeten. Dan zal ik uw schoonvader worden, zoals u hebt voorgesteld.’
     [57] In het jaar 162 vertrok Ptolemeüs uit Egypte, samen met zijn dochter Cleopatra, en ging naar Ptolemaïs. [58] Koning Alexander ontmoette hem daar, en Ptolemeüs gaf hem zijn dochter Cleopatra tot bruid. In Ptolemaïs werd een huwelijksfeest voor hen aangericht met veel koninklijk vertoon van weelde. [59] Bij die gelegenheid schreef koning Alexander Jonatan om hem uit te nodigen hem te bezoeken. [60] Jonatan reisde met een schitterend gevolg naar Ptolemaïs, waar hij de twee koningen ontmoette. Hij gaf hun en hun vertrouwelingen zilver, goud en vele andere geschenken, en won zo hun gunst. [61] Maar Israëlieten met kwaad in de zin, mannen die de wet verloochenden, kwamen een aanklacht tegen hem indienen. De koning schonk echter geen aandacht aan hen. [62] Integendeel, hij gaf bevel Jonatans gewone kleren te verruilen voor purperen kleding. En zo gebeurde het. [63] De koning liet hem naast zich plaatsnemen en zei tegen zijn bevelhebbers: ‘Neem hem mee naar het midden van de stad en roep om dat niemand een aanklacht tegen hem mag indienen of hem mag lastigvallen, om wat voor reden dan ook.’ [64] Toen de aanklagers de heraut hoorden en zagen dat Jonatan gehuldigd werd en in purper was gekleed, vluchtten ze. [65] De koning verleende hem de eervolle titel Vriend van de koning, en hij stelde hem aan als veldheer en districtsbestuurder. [66] Daarna keerde Jonatan in vrede en vreugde terug naar Jeruzalem.

Jonatan verslaat Apollonius
     [67] In het jaar 165 kwam Demetrius, de zoon van Demetrius, vanuit Kreta naar het land van zijn voorouders. [68] Toen koning Alexander dit hoorde, keerde hij diep verontrust naar Antiochië terug. [69] Demetrius bevestigde Apollonius in zijn functie als districtsbestuurder over Cele-Syrië. Deze bracht een grote strijdmacht op de been en sloeg zijn kamp op in de buurt van Jamnia. Van daaruit stuurde hij deze boodschap naar hogepriester Jonatan: [70] ‘U bent de enige die zich tegen ons verzet, en daarom word ik uitgelachen en bespot. Daar in de bergen durft u ons wel te tarten. [71] Als u op uw strijdkrachten vertrouwt, daal dan af naar de vlakte, dan kunnen we daar onze krachten meten. Ik heb de legers van de steden achter mij. [72] Doe navraag naar mij, ontdek wie ik ben en wie mijn medestanders zijn. Men zal u zeggen dat u tegen ons leger geen schijn van kans maakt. Uw voorvaders zijn al tweemaal in hun eigen land verslagen. [73] En ook u zult in de vlakte, waar geen steen of kiezel te vinden is en geen schuilplaats te bekennen, onze ruiterij en strijdkracht niet kunnen weerstaan.’
     [74] Uitgedaagd door de woorden van Apollonius, zocht Jonatan tienduizend mannen uit en vertrok vanuit Jeruzalem. Zijn broer Simon sloot zich met versterkingen bij hem aan. [75] Hij sloeg zijn kamp op bij Joppe. De inwoners van de stad sloten de poorten voor hem, omdat er in Joppe een garnizoen van Apollonius gelegerd was. Maar toen ze de stad aanvielen, [76] werden de inwoners bang en openden ze de poorten, zodat Jonatan Joppe kon innemen. [77] Apollonius hoorde dit en rukte met drieduizend ruiters en een grote strijdmacht op naar Azotus, alsof hij door die stad wilde trekken. Maar omdat hij op zijn grote ruiterij vertrouwde, bleef hij in de vlakte. [78] Jonatan achtervolgde hem tot bij de stad, waar de legers met elkaar in gevecht gingen. [79] Apollonius liet duizend ruiters in hinderlaag achter. [80] Toen Jonatan dat ontdekte, was hij al door de ruiters omsingeld, en zijn leger werd van de vroege ochtend tot zonsondergang met pijlen bestookt. [81] Toch wisten zijn mannen stand te houden, zoals Jonatan bevolen had, en de ruiters van de tegenstander raakten vermoeid. [82] Toen de ruiterij was uitgeput, viel Simon het voetvolk aan. Hij kreeg de overhand; de soldaten werden door hem op de vlucht gedreven en [83] de ruiters werden uiteengejaagd over de vlakte en vluchtten naar Azotus. Daar gingen ze de tempel van Dagon binnen om zich in veiligheid te brengen. [84] Jonatan stak Azotus en de steden eromheen in brand en plunderde ze. Daarna legde hij de tempel van Dagon met iedereen die er zijn toevlucht had gezocht in de as. [85] Ongeveer achtduizend mannen vielen door het zwaard of kwamen om in het vuur. [86] Van daaruit trok Jonatan op tot bij Askelon, waar de inwoners van de stad hem in een feestelijke stoet tegemoet kwamen. [87] Met een grote buit keerden Jonatan en zijn mannen vervolgens terug naar Jeruzalem. [88] Toen koning Alexander van deze gebeurtenissen hoorde, bewees hij Jonatan nog meer eer. [89] Hij stuurde hem een gouden speld, zoals die gewoonlijk alleen aan bloedverwanten van koningen werd geschonken, en hij gaf hem Akkaron en het bijhorend grondgebied.



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties