De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Het eerste boek Makkabeeën
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 14
De hechtenis van Demetrius II
[1] In het jaar honderdtweeënzeventig riep koning Demetrius zijn troepen bijeen en trok hij naar Medië om daar hulp te zoeken voor zijn strijd tegen Tryfon. [2] Toen Arsakes, de koning van Perzië en Medië, hoorde dat Demetrius zijn gebied was binnengetrokken, zond hij een van zijn veldheren om hem levend gevangen te nemen. [3] Deze rukte uit, versloeg het leger van Demetrius, nam hem gevangen en bracht hem voor Arsakes, die hem in de gevangenis liet gooien.

Loflied op Simon
     [4] Tijdens Simons bewind genoot het land van Juda rust. Hij behartigde het welzijn van zijn natie, die zolang hij leefde, gelukkig was met zijn macht en roem. [5] Nog grotere roem verwierf hij zich toen hij het volk een haven gaf, door de verovering van Joppe, en zo de toegang opende tot de eilanden. [6] Hij breidde het grondgebied van zijn natie uit door zich meester te maken van het land. [7] Tal van vijanden maakte hij krijgsgevangen. Hij bedwong Gezer, Bet-Sur en de burcht en zuiverde die van alle sporen van afgodendienst, zonder dat iemand hem weerstand bood. [8] Ongestoord bebouwde ieder zijn akker en de aarde bracht haar gewassen voort en de bomen in de vlakte hun vruchten. [9] De bejaarden zaten samen langs de straten en spraken over de welvaart, de jonge mannen gingen gekleed in een schitterend krijgsgewaad. [10] Hij voorzag de steden van levensmiddelen en rustte ze uit met verdedigingstuig. Zo werd zijn naam beroemd tot aan de grenzen van het land. [11] Hij bracht vrede over het land en in Israël heerste een uitbundige vreugde. [12] Iedereen zat onbekommerd onder zijn wijnstok en vijgenboom. [13] Er was in het land niemand meer die tegen hen vocht, want de koningen waren in die dagen overwonnen. [14] Hij was een steun voor de onaanzienlijken onder zijn volk, hij was vol ijver voor de leer en roeide goddelozen en boosdoeners uit. [15] Hij verhoogde de luister van het heiligdom en vergrootte het aantal heilige vaten.

Betrekkingen met Rome en Sparta
     [16] Toen Rome en zelfs Sparta hoorden dat Jonatan overleden was, waren zij daarover diep bedroefd.
[17] Maar toen ze vernamen dat zijn broer Simon hem als hogepriester was opgevolgd en stad en land regeerde,
[18] vernieuwden ze met hem de vriendschapsbetrekkingen en het bondgenootschap dat zij met zijn broers Judas en Jonatan gesloten hadden. Ze legden dit schriftelijk vast op bronzen platen en stuurden die naar Simon.
[19] Lezing ervan vond plaats in de volksvergadering in Jeruzalem.
[20] Hier volgt een afschrift van de brief die de Spartanen stuurden:

     [20] ‘De magistraten en de stad van de Spartanen aan Simon, de hogepriester, aan de oudsten, de priesters en het overige volk van de Judeeërs, hun broeders. Heil! [21] De gezanten die u naar ons volk hebt afgevaardigd, hebben ons ingelicht over het aanzien en het gezag dat u geniet. We waren zeer verheugd over hun komst. [22] Hun verklaringen hebben wij als volgt onder de staatsoorkonden opgenomen: Numenius, de zoon van Antiochus, en Antipater, de zoon van Jason, beiden gezanten van de Joden, zijn naar ons toe gekomen om hun vriendschapsbetrekkingen met ons te vernieuwen.
     [23] Het volk heeft besloten deze mannen eervol te ontvangen en een afschrift van hun verklaringen op te nemen in de staatsarchieven, zodat het volk van de Spartanen de herinnering eraan bewaart. Een afschrift hiervan hebben ze aan de hogepriester Simon gezonden.’
     [24] Daarna zond Simon Numenius naar Rome met een groot gouden schild ter waarde van duizend minen, om het bondgenootschap te bevestigen.

Erkenning van Simons verdiensten
     [25] Vanwege al deze verdiensten vroeg het Joodse volk zich af: ‘Hoe kunnen we Simon en zijn zonen onze dankbaarheid betuigen? [26] Want hijzelf, evenals zijn broers en zijn familie zijn onwrikbaar geweest in de strijd tegen de vijanden van Israël; ze hebben de vijanden teruggeslagen en voor Israël de vrijheid verworven.’ Daarom lieten ze op bronzen platen een oorkonde beitelen en aan zuilen op de berg Sion bevestigen. [27] Hier volgt een afschrift van de oorkonde: ‘Op de achttiende elul van het jaar honderdtweeënzeventig*, in het derde jaar van het hogepriesterschap van Simon, heeft men in het Asaramel* [28] tijdens een grote vergadering van de priesters, het volk, de leiders van het volk en de oudsten van het land, onze aandacht gevestigd op de volgende feiten. [29] Tijdens de vele oorlogen die in ons land hebben gewoed, hebben Simon, de zoon van Mattatias, uit het huis van Jojarib, en zijn broers hun leven op het spel gezet en weerstand geboden aan de vijanden van hun natie, voor het behoud van hun heiligdom en de leer. Daardoor hebben zij hun volk beroemd gemaakt. [30] Nadat Jonatan, die zijn volk om zich heen verzameld had en hogepriester was geworden, bij zijn voorvaderen was bijgezet, [31] besloten hun vijanden het land binnen te vallen om het te verwoesten en zich van het heiligdom meester te maken. [32] Toen greep Simon naar de wapens en streed voor zijn volk. Hij besteedde een groot gedeelte van zijn persoonlijk vermogen aan het bewapenen van het leger van zijn natie en het uitbetalen van soldij. [33] Hij versterkte de steden van Judea en de grensplaats van Judea, Bet-Sur, dat een wapenplaats van de vijand was, en legerde daar een Joods garnizoen; [34] verder versterkte hij Joppe aan zee en het voorheen door de vijand bewoonde Gezer aan de grens van Azotus, dat hij met Judeeërs bevolkte; beide steden voorzag hij van alles wat nodig was voor hun onderhoud. [35] Omdat Simon dat alles gedaan had in onkreukbare trouw tegenover zijn natie, heeft dat volk, overtuigd van die trouw en van zijn toewijding aan de roem van zijn volk, hem aangesteld als leider en hogepriester. Op alle mogelijke manieren heeft hij ernaar gestreefd zijn volk te versterken. [36] Onder zijn bewind en door zijn toedoen is het gelukt om de naties uit het land te verdrijven, waaronder ook de bezetting van de stad van David in Jeruzalem. Deze laatsten hadden daar een burcht gebouwd, waarvandaan ze uitvallen deden, de omgeving van het heiligdom ontwijdden en de heiligheid ervan uitermate ernstig schonden. [37] Simon legerde een Joodse bezetting in de burcht, die hij nog sterker maakte, ter beveiliging van stad en land; bovendien trok hij de muren van Jeruzalem hoger op.
     [38] Koning Demetrius bevestigde hem in de hogepriesterlijke waardigheid zoals hieronder beschreven is. [39] Hij nam hem op onder zijn vrienden en bewees hem grote eer. [40] De koning had immers vernomen dat de Romeinen de Judeeërs tot vrienden, bondgenoten en broeders hadden verklaard en dat ze de gezanten van Simon eervol hadden ontvangen. [41] Ook was hij ervan in kennis gesteld, dat de Judeeërs en hun priesters besloten hadden dat Simon voor altijd hun leider en hogepriester zou zijn – tenzij er een betrouwbaar profeet zou komen die anders zou beslissen – [42] evenals hun legeraanvoerder. Hij was belast met de zorg voor het heiligdom en het was aan hem beambten aan te stellen over de openbare werken, mannen te benoemen om het land te besturen, de wapendepots te beheren en het bevel te voeren over de vestingen. [43] Hij was belast met de zorg voor het heiligdom; iedereen moest zijn bevelen gehoorzamen, alle officiële stukken in het land moesten onder zijn naam opgesteld worden; hij zou zich in purper kleden en de gouden gesp dragen. [44] Niemand uit het volk of van de priesters is het geoorloofd om iets aan deze bepalingen af te doen of zijn bevelen te weerstaan, om zonder zijn toestemming een vergadering in het land te beleggen, zich in purper te kleden of de gouden gesp te dragen. [45] Degene die in strijd met deze beslissingen handelt of een ervan niet nakomt, zal strafbaar zijn.
     [46] Heel het volk heeft besloten om de genoemde volmachten aan Simon te verlenen. [47] En Simon heeft ze aanvaard en heeft zich bereid verklaard om hogepriester, veldheer en leider van de Judeeërs en de priesters te zijn en iedereen te verdedigen.’ [48] Deze oorkonde lieten ze op bronzen platen beitelen en op een duidelijk zichtbare plaats binnen de ommuring van het heiligdom bevestigen. [49] Een afschrift ervan moest in de schatkamer worden gelegd ter beschikking van Simon en zijn zonen.
Hoofdstuk 14
Demetrius II gevangengenomen
[1] In het jaar 172 bracht koning Demetrius zijn strijdkrachten bijeen en trok hij naar Medië om hulptroepen te ronselen voor de strijd tegen Tryfon. [2] Toen Arsakes, de koning van Perzië en Medië, hoorde dat Demetrius zich op zijn grondgebied bevond, stuurde hij een van zijn bevelhebbers om hem levend gevangen te nemen. [3] De bevelhebber viel het leger van Demetrius aan en versloeg het, nam Demetrius gevangen en bracht hem naar Arsakes, die hem liet opsluiten.

Simon geeft het land vrede
     [4] In de tijd dat Simon regeerde, had Judea rust. Hij streefde het welzijn van zijn volk na, en iedereen leefde gelukkig in de dagen van zijn roemrijke heerschappij. [5] Roemrijk was ook zijn verovering van de havenstad Joppe, waardoor hij de eilanden bereikbaar maakte. [6] Hij slaagde er niet alleen in het grondgebied van zijn volk uit te breiden en het hele land in zijn macht te krijgen, [7] maar maakte ook talrijke vijanden krijgsgevangen. Hij bezette Gezer, Bet-Sur en de citadel en reinigde al deze plaatsen. Er was niemand die zich tegen hem verzette. [8] De mensen bebouwden hun grond in vrede, het land bracht gewassen voort en de bomen in de vlakte droegen vrucht. [9] De oude mannen zaten in de straten en spraken over ieders voorspoed, de jonge mannen droegen prachtige krijgsgewaden. [10] Simon voorzag de steden van voedsel en rustte ze uit met verdedigingswerken. Zijn roem reikte tot aan de uiteinden van de aarde. [11] Hij gaf vrede aan het land en in Israël heerste grote vreugde. [12] Ieder zat onder zijn wijnrank en zijn vijgenboom, en er was geen reden meer om bang te zijn. [13] Alle vijanden waren in die tijd uit het land verdwenen en alle koningen waren overwonnen. [14] De zwakken van zijn land maakte Simon sterk; hij stelde de wet weer in werking en roeide wettelozen en afvalligen uit. [15] Hij liet de tempel verfraaien en verwierf een grote hoeveelheid tempelgerei.

Betrekkingen met Sparta en Rome
     [16] Het nieuws van Jonatans dood bereikte Rome en zelfs Sparta, en de mensen waren diepbedroefd. [17] Toen ze hoorden dat zijn broer Simon hem als hogepriester was opgevolgd en dat hij nu over het land en de steden heerste, [18] stuurden ze hem een brief op bronzen platen om het vriendschapsverdrag en het bondgenootschap dat ze met zijn broers Judas en Jonatan hadden gesloten te hernieuwen. [19] De platen werden in de volksvergadering in Jeruzalem voorgelezen. [20] Dit is een afschrift van de brief die de Spartanen stuurden: ‘Sparta en zijn leiders groeten hogepriester Simon, de oudsten, de priesters en de rest van hun Joodse broeders.
     [21] De gezanten die u naar ons volk hebt gestuurd hebben ons verteld van uw roem en eer, en hun komst heeft ons zeer verblijd. [22] Wij hebben hun boodschap als volgt opgetekend in de raadsbesluiten: Numenius, de zoon van Antiochus, en Antipater, de zoon van Jason, gezanten van de Joden, zijn naar ons toe gekomen om het vriendschapsverdrag met ons te hernieuwen. [23] Het volk heeft besloten de mannen eervol te onthalen en hun boodschap op schrift te stellen en in de openbare archieven op te nemen, opdat het Spartaanse volk die niet vergeet. Een afschrift ervan is aan hogepriester Simon gestuurd.’
     [24] Daarna stuurde Simon Numenius naar Rome met een groot gouden schild met een gewicht van duizend mine om het bondgenootschap te bevestigen.

Dankbetuiging aan Simon
     [25] Toen het volk dit alles hoorde, zei het: ‘Hoe kunnen we Simon en zijn zonen bedanken? [26] Want hijzelf, zijn broers en zijn familie zijn onverzettelijk geweest in hun strijd tegen Israëls vijanden en ze hebben Israël bevrijd.’ Daarom lieten ze bronzen platen graveren en op zuilen aanbrengen op de Sion. [27] Dit is een afschrift van de tekst op de bronzen platen: ‘Op 18 elul van het jaar 172, het derde regeringsjaar van hogepriester Simon, is ons in Asaramel
     [28] op een grote bijeenkomst van de priesters, het volk, de leiders van het volk en de oudsten van het land het volgende meegedeeld: [29] Tijdens de vele oorlogen die ons land hebben geteisterd, hebben Simon, de zoon van Mattatias, afstammeling van Jojarib, en zijn broers zich in hun verzet tegen de vijanden van hun volk vaak aan gevaren blootgesteld. Door hun toedoen zijn de tempel en de wet behouden en heeft hun volk grote roem verworven. [30] Nadat Jonatan, die zijn volk had weten samen te brengen en hogepriester was geworden, met zijn voorouders verenigd was, [31] besloot de vijand het land binnen te vallen om het te verwoesten en zich van de tempel meester te maken. [32] Toen heeft Simon de leiding genomen in de strijd voor zijn volk. Uit eigen middelen heeft hij de wapenrusting en soldij van het leger van zijn volk bekostigd. [33] Hij heeft de steden van Judea versterkt, waaronder de grensplaats Bet-Sur, waar de vijand vroeger een wapendepot had, en hij heeft er een Joods garnizoen gelegerd. [34] Hij heeft de kustplaats Joppe versterkt en ook Gezer in het gebied van Azotus, waar vroeger vijanden woonden maar dat nu bevolkt is met Joden. Beide steden heeft hij voorzien van alles wat nodig was voor hun wederopbouw. [35] Omdat Simon het welzijn van zijn volk zo trouw en eervol heeft nagestreefd, heeft het hem tot leider en hogepriester benoemd als dank voor al zijn daden, zijn rechtvaardigheid en niet aflatende trouw, en voor zijn onvermoeibare pogingen de roem van zijn volk te vergroten. [36] Tijdens zijn bewind is hij erin geslaagd de vreemdelingen uit het land te verdrijven. Ook de bezetters van de Davidsburcht in Jeruzalem heeft hij verjaagd. Die hadden daar een citadel gebouwd, van waaruit ze uitvallen deden, de omgeving van de tempel verontreinigden en de heiligheid ervan aantastten. [37] Simon heeft er Joodse soldaten gelegerd, heeft de citadel versterkt om de stad en het land te beveiligen en heeft de muren van Jeruzalem opgehoogd. [38] Dienovereenkomstig heeft koning Demetrius zijn hogepriesterschap bekrachtigd, [39] hem opgenomen in zijn kring van vertrouwelingen en hem grote eer bewezen. [40] Hem was namelijk ter ore gekomen dat de Romeinen de Joden tot vrienden, bondgenoten en broeders hadden verklaard en dat ze de gezanten van Simon eervol hadden ontvangen. [41] De Joden en hun priesters hebben Simon en zijn nakomelingen als hun leider en als hogepriester aangesteld, totdat er een betrouwbare profeet zal opstaan. [42] Simon is hun veldheer en draagt tevens zorg voor de tempel; als zodanig is hij belast met de aanstelling van beambten voor werkzaamheden in en rond de tempel, voor het land, de wapendepots en de burchten. [43] Hij draagt zorg voor de tempel; dit houdt in dat iedereen hem moet gehoorzamen. Alle akten in het land worden in zijn naam opgemaakt. Bovendien mag hij zich in purper kleden en een gouden speld dragen. [44] Het is noch de priesters noch iemand van het volk geoorloofd een van deze voorschriften buiten werking te stellen, tegen Simons verordeningen in in verzet te komen, zonder zijn toestemming in het land een vergadering bijeen te roepen, zich in purper te kleden of een gouden speld te dragen. [45] Ieder die in strijd hiermee handelt of zich hier niet aan houdt, maakt zich strafbaar. [46] Het hele volk heeft besloten Simon bovenstaande volmachten te verlenen. [47] Simon heeft deze volmachten aanvaard en zich bereid verklaard de hogepriester, veldheer en vorst van de Joden en de priesters te zijn; hij voert het gezag op alle gebied.’
     [48] Deze tekst lieten ze op bronzen platen graveren en binnen de omheining van het heiligdom op een opvallende plaats neerzetten. [49] Een afschrift van de tekst werd in de schatkamer opgeborgen, zodat Simon en zijn zonen erover konden beschikken.



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties