De dood van Timoteüs [24] Timoteüs, die vroeger door de Joden verslagen was, had een groot leger van buitenlandse soldaten geworven en veel Aziatische paarden; hij viel Judea binnen om het stormenderhand te veroveren. [25] Toen hij in aantocht was, richtte de groep van de Makkabeeër gebeden tot God; ze strooiden aarde op hun hoofd en omgordden hun lendenen met zakken. [26] Ze wierpen zich neer aan de voet van het altaar en smeekten God, dat Hij zich over hen zou ontfermen en volgens de woorden van de leer de vijand van hun vijanden en de verdrukker van hun verdrukkers zou zijn. [27] Na hun gebed namen ze hun wapens, trokken ver van de stad weg en hielden pas halt toen ze in de nabijheid van de vijand waren. [28] Bij het aanbreken van de ochtend gingen de twee legers tot de aanval over. Als waarborg voor het succes van de overwinning had de ene partij, naast dapperheid, haar vertrouwen in de heer, de andere liet zich slechts leiden door haar strijdlust. [29] In het heetst van de strijd zagen de vijanden hoe vanuit de hemel vijf prachtig uitgedoste mannen, gezeten op paarden met gouden teugels, de leiding namen over de Judeeërs. [30] Ze namen de Makkabeeër in hun midden, beschermden hem met hun wapens en zorgden ervoor dat hij niet gewond raakte; op de vijanden schoten zij bliksemschichten af, waardoor ze verblind werden en in grote verwarring raakten. [31] In de strijd werden twintigduizend vijfhonderd man voetvolk en zeshonderd ruiters gedood. [32] Timoteüs zelf vluchtte naar een zeer sterke vesting, Gezer genaamd, waarover Chereas het bevel voerde. [33] De groep van de Makkabeeër belegerde in een opgewekte stemming vier dagen lang de vesting, [34] terwijl de belegerden, in blind vertrouwen op de sterkte van de stad, godslasteringen en andere ergerlijke taal uitten. [35] Bij het aanbreken van de vijfde dag bestormden twintig jongelingen van de Makkabeeër, brandend van woede over de godslasteringen, onverschrokken en verbeten de muur en sloegen iedereen neer die op hun weg kwam. [36] Anderen deden een aanval op de bezetters, legden het vuur aan de torens en staken opgestapeld hout in brand, zodat de godslasteraars levend verteerd werden door de vlammen. Zij sloegen de poorten stuk en lieten de rest van het leger naar binnen trekken en de stad bezetten. [37] Timoteüs, die zich in een zekere put verborgen hield, doodden ze, evenals zijn broers Chereas en Apollofanes. [38] Na deze krijgsdaden prezen ze met lof- en dankliederen de Heer, die Israël weldaden bewezen had en hun de overwinning had geschonken.
Judas verslaat Timoteüs [24] Timoteüs, die bij een eerdere gelegenheid door de Joden was verslagen, bracht een groot huurleger op de been en mobiliseerde de enorme ruiterij van Asia. Daarmee trok hij op tegen Judea, met de bedoeling dit gewapenderhand in te nemen. [25] Bij zijn nadering wendden de mannen van de Makkabeeër zich in een smeekgebed tot God. Met stof op hun hoofd en gehuld in een boetekleed [26] vielen ze voor het voetstuk van het altaar neer en vroegen God om medelijden met hen te hebben en, zoals de wet het zegt, voor hun vijanden een vijand te zijn en een tegenstander voor hun tegenstanders. [27] Zodra ze dit gebed hadden uitgesproken, namen ze de wapens op en begaven ze zich een eind buiten de stad. Toen ze de vijand dicht genoeg genaderd waren, hielden ze halt. [28] Meteen na zonsopgang werd de aanval van beide kanten geopend. Maar waar de ene partij niet alleen door haar moed verzekerd was van de goede afloop en de overwinning, maar ook door het vertrouwen dat ze in de Heer had gesteld, kon de andere partij zich slechts laten leiden door haar strijdlust. [29] In het heetst van de strijd zagen de tegenstanders aan de hemel vijf schitterende ruiters op paarden met gouden teugels verschijnen, die zich aan het hoofd stelden van de Joodse troepen. [30] Twee van hen namen* de Makkabeeër tussen zich in, beschermden hem met hun eigen wapenrusting en maakten hem op die manier onkwetsbaar. De tegenstanders werden door hen bestookt met pijlen en bliksems, waardoor ze verblind raakten en volslagen in paniek op de vlucht sloegen. [31] Twintigduizend vijfhonderd man voetvolk en zeshonderd ruiters werden gedood. [32] Timoteüs zelf ontkwam naar de vestingstad Gezer, een bijzonder sterke burcht die onder bevel stond van Chereas. [33] De mannen van de Makkabeeër belegerden vol enthousiasme vier dagen lang de burcht. [34] Degenen die binnen zaten hadden zo veel vertrouwen in de sterkte van de vesting dat ze God lasterden en goddeloze taal uitsloegen. [35] Bij het aanbreken van de vijfde dag waren twintig jongemannen uit de groep van de Makkabeeër door die godslasteringen zo tot het uiterste getergd dat ze blind van woede onverschrokken de muren bestormden en iedereen doodden die hun in handen kwam. [36] Anderen maakten een omtrekkende beweging naar de achterkant van de vesting, legden vuren aan en staken de torens in brand, zodat de godslasteraars binnen levend verbrandden. Weer anderen ramden de poorten, zodat de rest van het leger de stad kon binnendringen en innemen. [37] Timoteüs, die zich in een put had verborgen, werd gedood, evenals zijn broers Chereas en Apollofanes. [38] Toen dit alles achter de rug was, loofden ze de Heer met liederen en lofprijzingen vanwege de grote weldaad die hij Israël had bewezen door hun de overwinning te schenken.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.