De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Het tweede boek Makkabeeën
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 12
Judas neemt wraak
[1] Na het sluiten van dit verdrag keerde Lysias naar de koning terug en legden de Judeeërs zich weer toe op de landbouw. [2] Maar van de legeraanvoerders, die in dat gebied hun standplaats hadden, gunden Timoteüs en Apollonius, de zoon van Genneüs, Hiëronymus, Demofon en vooral Nikanor, de bevelhebber van de huurtroepen uit Cyprus, de Judeeërs geen rust.
     [3] De inwoners van Joppe begingen de volgende schurkenstreek. Ze nodigden de Judeeërs die in Joppe woonden uit om met vrouw en kinderen aan boord te gaan van enkele gereedliggende boten. Omdat ze ogenschijnlijk geen kwaad in het schild voerden, [4] maar uitvoering gaven aan een besluit dat door de gehele bevolking van de stad genomen was, namen de Joden, die niets liever wilden dan vrede en geen argwaan koesterden, de uitnodiging aan. Toen ze in volle zee waren verdronken ongeveer tweehonderd Judeeërs. [5] Toen Judas hoorde hoe wreed men zijn volksgenoten behandeld had, stelde hij zijn mannen ervan in kennis. [6] Hij riep God, de rechtvaardige rechter, aan en rukte tegen de moordenaars van zijn broeders op. Hij stak ’s nachts de haven in brand, gaf de schepen prijs aan de vlammen en doodde iedereen die er zijn toevlucht had gezocht. [7] Omdat de stad zelf ommuurd was, blies hij de aftocht, met het plan om terug te komen en heel de bevolking van Joppe uit te roeien. [8] Op het bericht dat ook de inwoners van Jamnia iets dergelijks wilden doen met de Judeeërs in hun stad, [9] deed Judas ook op Jamnia een nachtelijke overval en stak hij de haven met de vloot in brand; de vuurgloed was tot in Jeruzalem, dus op een afstand van tweehonderdveertig stadiën, te zien.

Veldtocht naar Gilead
     [10] Vanuit daar wilden zij een veldtocht tegen Timoteüs ondernemen. Ze hadden ongeveer negen stadiën afgelegd, toen ze door een Arabisch leger van minstens vijfduizend man voetvolk en vijfhonderd ruiters werden aangevallen. [11] Na een hevige strijd behaalde Judas met zijn leger, dankzij de hulp van God, de overwinning. De verslagen nomaden smeekten Judas hun de hand te reiken; ze beloofden hem vee te leveren en hun ook op andere wijze van dienst te zijn. [12] Omdat Judas van oordeel was dat ze hem werkelijk in veel opzichten van nut konden zijn, stemde hij erin toe vrede met hen te sluiten. Hij reikte hun de hand, waarna zij naar hun tenten teruggingen.
     [13] Vervolgens maakte hij een brug naar een stad die de naam Kaspin droeg, achter wallen verschanst en van ringmuren voorzien. Er woonde een gemengde bevolking. [14] Vertrouwend op hun sterke muren en hun voorraad levensmiddelen namen de belegerden een onbeschofte houding aan tegenover de groep van Judas; ze dreven de spot met hem, lasterden hen en sloegen afschuwelijke taal uit. [15] Judas en zijn soldaten riepen de grote Heer van de wereld aan, die ten tijde van Jozua zonder stormrammen en belegeringswerktuigen de muren van Jericho had neergehaald, en bestormden als wilde dieren de muren. [16] Ze slaagden erin de stad te veroveren, omdat God dat wilde; ze richtten zo’n onbeschrijfelijk bloedbad aan, dat het bij de stad gelegen meer, dat twee stadiën breed was, met bloed gevuld scheen. [17] Vanuit daar kwamen ze na een mars van zevenhonderdvijftig stadiën bij Charaka, bij de Joden in het gebied van de Tubianen. [18] Timoteüs troffen ze in dat gebied niet aan: hij was daar onverrichterzake weggetrokken; wel had hij op een bepaald punt een zeer sterke bezetting achtergelaten. [19] Dositeüs en Sosipatrus, van de groep van de Makkabeeër, trokken eropaf en doodden meer dan tienduizend man, die Timoteüs in de vesting gelegerd had.
     [20] De Makkabeeër zelf verdeelde zijn leger in afdelingen, stelde er bevelhebbers over aan en trok op tegen Timoteüs, die een leger had van honderdtwintigduizend man voetvolk en vijfentwintighonderd ruiters. [21] Toen Timoteüs vernam dat Judas tegen hem optrok, stuurde hij de vrouwen en kinderen en de overige bagage onmiddellijk naar Karnion*; die plaats was namelijk moeilijk te veroveren en slecht toegankelijk, omdat de wegen erheen smal waren. [22] Maar toen de eerste afdeling van Judas zich vertoonde, werden de vijanden door de verschijning van Hem die alles ziet, zo door angst en schrik bevangen, dat ze op de vlucht sloegen en in de ontstane verwarring elkaar verwondden of zich zelf met hun zwaardpunten kwetsten. [23] Judas zette een krachtige achtervolging in en sloeg de boosdoeners neer; hij doodde ongeveer dertigduizend man.
     [24] Timoteüs zelf viel in handen van de troepen van Dositeüs en Sosipatrus. Listig spiegelde hij hun voor, dat hij de ouders of broers van velen van hen in zijn macht had en hij dreigde dat het die slecht zou vergaan, als ze hem niet ongedeerd lieten vertrekken. [25] Toen hij hen na veel gepraat ervan overtuigd had, dat hij zich verplichtte hun verwanten gezond en wel vrij te zullen laten, lieten ze hem gaan, om zodoende hun broeders te redden.
     [26] Judas trok op naar Karnion, waar het heiligdom van Atargatis* stond, en doodde er vijfentwintigduizend personen. [27] Na de nederlaag en ondergang van deze vijanden trok Judas met zijn leger naar de versterkte stad Efron, waar Lysanias zijn residentie had. Een leger van sterke jonge kerels stond voor de muren opgesteld en weerde zich dapper, terwijl binnen de stad een grote voorraad oorlogswerktuigen en projectielen lag. [28] Maar zij riepen de heer aan, die met sterke hand de macht van de vijand verbrijzelt, en veroverden de stad. Zij doodden ongeveer vijfentwintigduizend inwoners. [29] Vanuit daar rukten ze op naar Skytopolis, dat zeshonderd stadiën van Jeruzalem ligt. [30] Maar de Joden die daar woonden, getuigden dat de inwoners van Skytopolis hun welwillend gezind waren en dat ze hen in moeilijke tijden goed hadden behandeld. [31] Zij dankten hen daarvoor en deden een beroep op hen om ook in de toekomst hun volk welgezind te blijven. Omdat het Wekenfeest op handen was, keerden ze naar Jeruzalem terug.

Veldtocht tegen Gorgias
     [32] Na het zogenoemde pinksterfeest* rukten ze uit tegen Gorgias, de stadhouder van Idumea. [33] Deze trok hun tegemoet met drieduizend man voetvolk en vierhonderd ruiters. [34] Tijdens de strijd sneuvelde er een klein aantal Joden. [35] Maar een zekere Dositeüs, een dappere ruiter uit het korps van Bakenor, kreeg Gorgias bij zijn mantel te pakken. Hij sleepte de vervloekte kerel met geweld mee in een poging om hem levend gevangen te nemen, toen een Tracische ruiter op Dositeüs afstormde en hem de arm afhakte. Zo kon Gorgias naar Maresa ontsnappen. [36] Toen de soldaten van Esdris door de langdurige strijd uitgeput raakten, smeekte Judas de Heer om zich hun bondgenoot en aanvoerder te tonen. [37] Daarna riep hij met luide stem in zijn moedertaal de wapenkreet en hij zette een loflied in. Door een onverhoedse stormloop joeg hij de soldaten van Gorgias op de vlucht. [38] Judas hergroepeerde zijn leger en ging naar de stad Adullam*. Omdat de sabbat aanbrak reinigden ze zich zoals het gebruik was en heiligden daar de sabbat.

Zoenoffer voor de gesneuvelden
     [39] De volgende dag wijdden Judas en de zijnen zich aan de dringende taak om de lijken van de gevallenen te bergen en ze bij hun verwanten in hun familiegraf bij te zetten. [40] Daarbij ontdekte men onder de kleren van al de gevallenen amuletten van de afgoden van Jamnia, dingen dus die de Judeeërs volgens de wet niet mogen bezitten. Toen was het voor iedereen duidelijk, waarom ze gesneuveld waren. [41] Iedereen prees de Heer, de rechtvaardige rechter, die het verborgene aan het licht brengt. [42] Maar ze baden en smeekten ook dat de zonde, door de gevallenen begaan, geheel zou worden vergeven. De edele Judas vermaande het volk zich vrij te houden van zonde, want met eigen ogen hadden ze bij de gevallenen de gevolgen van de zonde kunnen aanschouwen. [43] Daarna hield hij onder zijn soldaten een inzameling die tweeduizend drachmen zilver opbracht. Hij stuurde dat geld naar Jeruzalem voor een zondeoffer. Dat was een mooie en edele daad, ingegeven door de gedachte aan de verrijzenis. [44] Want als hij niet gehoopt had, dat de gevallenen zouden verrijzen*, dan was het nutteloos en dwaas geweest om voor de overledenen te bidden. [45] Bovendien bedacht hij dat voor degenen die godvruchtig sterven een prachtige* beloning is weggelegd; inderdaad een heilige en vrome gedachte! Daarom liet hij voor de overledenen een zoenoffer opdragen, opdat ze van hun zonde zouden worden vrijgesproken.
Hoofdstuk 12
Veldtochten van Judas
[1] Zodra bovengenoemde verdragen gesloten waren, ging Lysias terug naar de koning en legden de Joden zich weer toe op het bebouwen van hun akkers. [2] Maar enkele plaatselijke bevelhebbers, te weten Timoteüs en Apollonius, de zoon van Genneüs, Hiëronymus en Demofon, en vooral Nikanor, de bevelhebber van de Cyprioten, gunden hun geen rust en bleven hen lastigvallen.
     [3] De inwoners van Joppe begingen de volgende goddeloze wandaad: ze verzochten de Joden die in hun stad woonden om zich met hun vrouwen en kinderen in te schepen in een aantal voor dat doel gereedliggende vaartuigen. Ze lieten daarbij niets van hun vijandige gezindheid blijken, [4] maar zeiden alleen dat het een besluit van het stadsbestuur betrof. De Joden, die graag in vrede wilden leven, voldeden nietsvermoedend aan dit verzoek. Maar eenmaal op open zee gekomen werden de schepen, met niet minder dan tweehonderd Joden aan boord, tot zinken gebracht. [5] Judas hoorde over deze wreedheid en bracht zijn mannen op de hoogte van wat er gebeurd was. [6] Nadat hij God, de rechtvaardige rechter, had aangeroepen, trok hij op tegen degenen die zijn volksgenoten vermoord hadden. Hij stichtte bij nacht brand in de haven en liet alle schepen in vlammen opgaan, en iedereen die er zijn toevlucht had gezocht werd gedood. [7] Omdat de poorten van de stad zelf gesloten waren, trok hij zich terug met de bedoeling later ook de rest van de bevolking van Joppe uit te roeien. [8] Toen hij vernam dat de inwoners van Jamnia soortgelijke plannen beraamden tegen de in hun stad wonende Joden, [9] overviel hij ook daar ’s nachts de haven en stak de vloot in brand. Tot in het tweehonderdveertig stadie verder gelegen Jeruzalem was de gloed van de vlammen te zien.
     [10] Vervolgens ondernamen Judas en zijn mannen een veldtocht tegen Timoteüs. Ze hadden nog geen negen stadie afgelegd, of ze werden overvallen door een Arabisch leger van niet minder dan vijfduizend man voetvolk en vijfhonderd ruiters. [11] Er ontbrandde een hevige strijd, waarin de mannen van Judas dankzij de hulp van God de overwinning behaalden. De verslagen nomaden vroegen hem of hij vrede met hen wilde sluiten. In ruil daarvoor beloofden ze vee te geven en hem ook op andere manieren van dienst te zullen zijn. [12] Omdat Judas van oordeel was dat de Arabieren hem inderdaad bij allerlei zaken van nut konden zijn, ging hij op hun vredesvoorstel in. Nadat ze het verdrag hadden bekrachtigd, keerden de Arabieren terug naar hun tenten.
     [13] Judas viel ook de stad Kaspin aan, door bruggen te slaan naar de wallen.* De stad was aan alle kanten ommuurd en werd bewoond door mensen van allerlei herkomst. [14] De belegerden hadden zo veel vertrouwen in de sterkte van de muren en de hoeveelheid voedsel die ze in voorraad hadden, dat ze zich aanmatigden de mannen van Judas de huid vol te schelden en bovendien God te lasteren en liederlijke taal uit te slaan. [15] Daarop riepen Judas’ mannen de grote Heer van de wereld aan, die ten tijde van Jozua de muren van Jericho zonder stormrammen of andere oorlogswerktuigen omver had geworpen, en ze bestormden blind van woede de stadsmuur. [16] Omdat God het wilde namen ze de stad in. Ze richtten zo’n onbeschrijfelijk bloedbad aan dat een nabijgelegen meertje, dat twee stadie breed was, helemaal gevuld scheen met bloed.
     [17] Van daar trokken ze naar Charax, zevenhonderdvijftig stadie verder. Daar woonden Joden die Tobiaden genoemd werden. [18] Timoteüs troffen ze daar niet, want die was onverrichter zake uit dat gebied vertrokken. Hij had echter wel op een bepaalde plaats een zeer sterke bezettingsmacht achtergelaten. [19] Dositeüs en Sosipatrus, twee van Judas’ aanvoerders, vielen met hun eenheden de troepen die Timoteüs in de vesting had achtergelaten aan en doodden meer dan tienduizend man. [20] De Makkabeeër zelf stelde zijn leger in slagorde op, benoemde over elke eenheid een bevelhebber en trok op tegen Timoteüs, die beschikte over honderdtwintigduizend man voetvolk en vijfentwintighonderd ruiters. [21] Toen Timoteüs bericht ontving dat Judas in aantocht was, stuurde hij de vrouwen en kinderen met de overtollige bagage naar het heiligdom van de gehoornde Astarte.* Die plaats was namelijk moeilijk te belegeren of aan te vallen omdat alle toegangswegen door nauwe kloven leidden. [22] Zodra de vijanden de eerste eenheid van Judas’ leger zagen aankomen, werden ze door angst overmand, en ze raakten nog meer in paniek toen de Alziende aan hen verscheen. Ze vluchtten alle kanten uit, en velen van hen werden door hun eigen mensen verwond of met het zwaard doorstoken. [23] Judas zette in alle hevigheid de achtervolging in en sloeg de onverlaten neer; hij doodde er ongeveer dertigduizend. [24] Timoteüs zelf viel in handen van de mannen van Dositeüs en Sosipatrus. Maar hij was zo doortrapt hun voor te houden dat hij van velen van hen de ouders of broers in gijzeling had, met wie nietsontziend zou worden afgerekend als men hem niet ongemoeid liet vertrekken. [25] Nadat hij hun met veel omhaal van woorden verzekerd had dat hij de gijzelaars ongedeerd zou teruggeven als ze hem zouden laten gaan, lieten ze hem vrij om hun verwanten te redden. [26] Judas rukte op naar de heiligdommen van Astarte en Atargatis, waar hij vijfentwintigduizend mensen doodde.
     [27] Na de nederlaag en ondergang van deze vijanden trok hij op tegen Efron, een vestingstad met een groot aantal inwoners* afkomstig uit verschillende volken. De stadsmuren werden krachtig verdedigd door sterke, jonge kerels, en in de stad bevond zich een grote voorraad wapens en oorlogswerktuigen. [28] Maar Judas en zijn mannen riepen de Heer aan, hij die de vijandelijke macht met grote kracht verbrijzelt, namen de stad in en doodden er ongeveer vijfentwintigduizend mensen.
     [29] Van daar verplaatste hij zijn leger naar Skythopolis, dat op zeshonderd stadie van Jeruzalem ligt. [30] Maar de Joden daar verklaarden dat de bevolking hen goed behandelde en in moeilijke tijden had bijgestaan. [31] Judas bedankte de inwoners van Skythopolis en spoorde hen aan de Joden ook in het vervolg goedgezind te blijven. Daarna ging hij met zijn mannen naar Jeruzalem om het op handen zijnde Wekenfeest bij te wonen.
     [32] Na afloop van dit feest, dat ook wel het Pinksterfeest wordt genoemd, trokken ze op tegen Gorgias, de bevelhebber in Idumea. [33] Gorgias kwam hun tegemoet met drieduizend man voetvolk en vierhonderd ruiters. [34] Tijdens de slag viel aan de kant van de Joden een klein aantal slachtoffers. [35] Een zekere Dositeüs, een van de ruiters van Bakenor, was een man met uitzonderlijk grote kracht. Hij greep de vervloekte Gorgias bij zijn mantel en sleurde hem in volle vaart mee, in een poging hem levend gevangen te nemen. Maar een van de Tracische ruiters viel Dositeüs aan en hakte zijn arm af, waarop Gorgias naar Maresa ontkwam. [36] De mannen van Esdris waren na een lange strijd de uitputting nabij. Daarom riep Judas de Heer aan om als medestrijder te verschijnen en de troepen aan te voeren. [37] In zijn moedertaal slaakte hij een strijdkreet en hief een krijgslied aan, en hij stormde onverwachts op het leger van Gorgias af en joeg het op de vlucht.
     [38] Nadat Judas zijn leger had gehergroepeerd, ging hij naar Adullam. Aangezien toen juist de zevende dag van de week aanbrak, reinigden ze zich volgens gebruik en vierden daar de sabbat. [39] De dag na de sabbat gingen de mannen van Judas op weg om de lichamen van de gevallenen te bergen, want het was inmiddels hoog tijd om die bij te zetten in de graven van hun voorouders. [40] Bij ieder van de gesneuvelden vonden ze onder zijn kleren afgodsbeeldjes uit Jamnia. Omdat het bezit daarvan voor Joden bij de wet verboden is, begreep iedereen dat dit er de oorzaak van was dat ze waren gevallen. [41] Allen prezen daarom de Heer, de rechtvaardige rechter die aan het licht brengt wat verborgen is, [42] en hieven een smeekgebed aan waarin ze vroegen of deze zonde volledig mocht worden uitgewist. De edele Judas waarschuwde het volk om, nu men met eigen ogen had gezien wat de gesneuvelden zich met hun vergrijp op de hals gehaald hadden, zich niet ook aan zonden schuldig te maken. [43] Hij hield een inzameling onder al zijn mannen en stuurde de opbrengst, ongeveer tweeduizend zilveren drachmen, naar Jeruzalem om een zoenoffer te laten brengen. Deze goede en nobele daad verrichtte hij met het oog op de opstanding; [44] als hij niet verwacht had dat de gesneuvelden uit de dood zouden opstaan, zou het immers zinloos en dwaas zijn geweest om voor hen te bidden. [45] In het besef dat voor wie als vroom mens sterft een prachtige beloning in het verschiet ligt – inderdaad een heilige en godvruchtige gedachte –, bracht hij ten behoeve van de doden dit zoenoffer, opdat ze van hun zonde zouden worden vrijgesproken.



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties