De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Wijsheid
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 2
 
  [1] Zij redeneerden onjuist
toen zij onder elkaar zeiden:
‘Kort is ons leven en vol verdriet;
er is geen remedie als de mens doodgaat
en het is nooit vertoond
dat iemand uit de onderwereld terugkwam.
  [2] Wij zijn maar toevallig ontstaan
en later zal het zijn
alsof wij er nooit geweest waren,
want de adem in onze neus is als damp
en het denken is een vonk
in het kloppen van ons hart.
  [3] Als zij gedoofd is,
vergaat het lichaam tot as
en de geest vervliegt als ijle lucht.
  [4] Onze naam wordt op den duur vergeten
en niemand denkt dan nog aan wat wij hebben gedaan.
Ons leven gaat voorbij
als de laatste sporen van een wolk,
het lost zich op als een nevel,
die verdreven wordt door de stralen van de zon
en bezwijkt voor haar gloed.
  [5] Onze dagen zijn een vluchtige schaduw
en ons einde is onherroepelijk,
want het is bezegeld en niemand keert terug.
  [6] Vooruit dan, laten wij genieten
van het goede dat we hebben
en maar meteen van het geschapene profiteren
nu wij nog jong genoeg zijn.
  [7] Laten wij ons te goed doen
aan kostelijke wijn en aan parfums
en laat geen lentebloesem ons ontgaan.
  [8] Laten wij ons bekransen
met rozenknoppen, voordat ze verwelken.
  [9] Niemand mag verstoken blijven
van ons plezier.
Overal willen wij tekenen achterlaten
van onze vrolijkheid,
want dat is ons deel en dat is ons lot.

Verdrukking van de rechtvaardige
  [10] Laten wij de rechtschapen* arme tiranniseren
en de weduwe niet ontzien
en ons niet storen aan de grijze haren van de hoogbejaarde.
  [11] Onze kracht moet de maatstaf zijn van het recht,
want wat zwak is dient kennelijk tot niets.
  [12] Laten wij de rechtschapene belagen,
want hij is ons tot last
en hij verzet zich tegen wat wij doen.
Hij verwijt ons overtredingen van de Wet
en hij beschuldigt ons ervan
dat wij afwijken van wat wij geleerd hebben.
  [13] Hij beroemt zich erop God te kennen
en noemt zich een dienaar van de heer.
  [14] Hij is een aanklacht tegen onze opvattingen geworden;
het valt ons al zwaar hem te zien,
  [15] want zijn levenswijze is niet die van de anderen
en zijn gedragingen zijn zonderling.
  [16] Hij ziet ons aan voor valse broeders
en vermijdt onze wegen alsof ze onrein waren.
Het einde van de rechtvaardigen prijst hij zalig
en hij pocht dat God zijn Vader is.
  [17] Wij willen wel eens zien of zijn woorden waar zijn en ons overtuigen
van wat er bij zijn heengaan gebeurt.
  [18] Want als de rechtvaardige een zoon van God is,
dan zal die het voor hem opnemen
en hem redden uit de hand van zijn tegenstanders.
  [19] Laten wij hem maar eens op de proef stellen
met niets ontziende folteringen,
om zijn zachtmoedigheid te leren kennen
en zijn geduld te toetsen.
  [20] Laten wij hem veroordelen
tot een vernederende dood:
er wordt toch over hem gewaakt,
zoals hij beweert.’

Vergissing van de goddeloze
  [21] Zo redeneren zij, maar zij vergissen zich,
want hun slechtheid maakt hen blind.
  [22] Zij hebben geen besef van Gods geheimen;
zij verwachten niet dat de vroomheid beloond wordt
en zij geloven niet dat op een onberispelijk leven een bekroning volgt.
  [23] God heeft de mens immers geschapen
voor een onvergankelijk leven
en Hij heeft hem tot een beeld* van zijn eigen eeuwigheid gemaakt,
  [24] maar door de afgunst van de duivel*
is de dood in de wereld gekomen
en de aanhangers van de duivel
zullen hem ondergaan.
Hoofdstuk 2
[1] Ten onrechte houden ze zichzelf het volgende voor: Het leven is kort en vol moeite. Geen mens kan zijn einde ontlopen; er is niemand die een uitweg kan bieden uit het dodenrijk. [2] Wij zijn bij toeval ontstaan en uiteindelijk zal het zijn of we nooit hebben bestaan. De adem in onze neusgaten is vluchtig als damp, het verstand niet meer dan een vonk in ons binnenste. [3] Als de vonk gedoofd is, vergaat het lichaam tot as en vervliegt de geest als ijle lucht. [4] Onze naam wordt op den duur vergeten, niemand herinnert zich onze daden nog. Ons leven verdwijnt als nevel, het lost op als mist die door de stralen van de zon wordt verjaagd en door haar warmte verdreven. [5] We leven niet langer dan een schaduw die voorbijgaat, en ons einde is onafwendbaar: het ligt vast en niemand kan het ongedaan maken.
     [6] Welaan dan, laten we genieten van al het goede dat er is. Laten we de schepping met gretigheid benutten, zorgeloos als de jeugd. [7] We zullen ons te goed doen aan kostbare, geurige wijn. We laten geen lentebloesem aan ons voorbijgaan, [8] we vlechten kransen van rozenknoppen, eer ze verwelken. [9] Elk veld zal ons zien dansen, overal laten we sporen van vrolijkheid achter. Dat is toch waarvoor we leven, dat is toch ons lot?
     [10] Laten we de rechtvaardige die in armoede leeft uitbuiten, laten we de weduwe niet ontzien en ons niet bekommeren om de grijze haren van iemand op hoge leeftijd. [11] Onze kracht zal bepalen wat gerechtigheid is, want iets dat zwak is heeft geen waarde. [12] Laten we de rechtvaardige in het nauw drijven, want hij is ons alleen maar tot last. Hij dwarsboomt ons in alles wat we doen, hij verwijt ons dat we de wet overtreden en houdt ons voor dat we verloochenen wat ons geleerd is. [13] Hij beweert over kennis van God te beschikken en noemt zich kind van de Heer. [14] Hij is een levende aanklacht tegen onze opvattingen geworden. Zijn verschijning alleen al is ons een doorn in het oog, [15] omdat hij anders leeft dan anderen en zich afwijkend gedraagt. [16] Wij zijn in zijn ogen minderwaardig en hij mijdt onze levenswijze alsof die besmet is. Hij geeft hoog op van de bestemming van rechtvaardige mensen en beroemt zich erop dat God zijn vader is.
     [17] Laten we zien of hij gelijk heeft en afwachten wat er bij zijn dood gebeurt. [18] Als de rechtvaardige echt een zoon van God is, zal die hem toch te hulp komen en hem uit de greep van zijn vijanden redden? [19] Laten we hem aan geweld en marteling onderwerpen om zijn oprechtheid te leren kennen, laten we zijn uithoudingsvermogen op de proef stellen. [20] We zullen hem veroordelen tot een vernederende dood, want hij beweert toch dat hij gered zal worden?
     [21] Aldus de gedachtegang van de goddelozen. Maar ze vergissen zich, verblind als ze zijn door hun slechtheid. [22] Ze zijn niet bekend met Gods geheimen: ze verwachten niet dat vroomheid beloond wordt en geloven niet dat wie onberispelijk leeft, gelauwerd wordt. [23] God heeft de mens immers geschapen voor de eeuwigheid, als afspiegeling van zijn eigen wezen. [24] Maar de duivel heeft uit jaloezie de dood in de wereld gebracht; ieder die hem toebehoort roept de dood over zich af.



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties