De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Wijsheid van Jezus Sirach
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 17
 
Gemaakt naar zijn beeld
  [1] De Heer heeft de mens uit de aarde geschapen
en heeft hem tot haar laten terugkeren.
  [2] Hij schonk hun een aantal dagen en een bepaalde tijd
en gaf hun de macht over de dingen op aarde.
  [3] Hij heeft hen bekleed met een kracht als de zijne
en hen naar zijn beeld gemaakt.
  [4] In alles wat leeft, heeft Hij de vrees voor de mens gelegd
en hem tot heer gemaakt over dieren en vogels.*
 
  [6] Hij heeft hun denkvermogen, hun tong, ogen en oren gemaakt,
en hun een hart gegeven om te denken.
  [7] Hij heeft hen vervuld met onderscheidingsvermogen;
Hij toonde hun het goede en het kwade.
  [8] Hij heeft zijn oog in hun hart geplant
om hun te laten zien hoe groot zijn werken zijn,*
  [9] zodat zij van de grootheid van zijn werken melding maken
  [10] en zijn heilige naam prijzen.

God is wetgever en rechter
  [11] Hij heeft hun ook kennis geschonken
en Hij gaf hun de wet van het leven als erfdeel.*
  [12] Hij sloot met hen een altijddurend verbond
en toonde hun zijn voorschriften.
  [13] Hun ogen zagen de grootheid van zijn glorie
en hun oor heeft de glorie van zijn stem gehoord.
  [14] En Hij zei tegen hen: ‘Pas op voor alle onrecht!’
En Hij schreef hun voor wat ieder aan zijn naaste verplicht is.
  [15] Hun wegen zijn Hem altijd bekend
en blijven voor zijn ogen niet verborgen.*
  [17] Hij stelde over ieder volk een heerser aan,
maar Israël is het deel van de Heer.*
  [19] Al hun werken zijn zonneklaar voor Hem
en zijn ogen zijn onafgebroken op hun wegen gericht.
  [20] Hun ongerechtigheden zijn niet voor Hem verborgen
en al hun zonden zijn de Heer bekend.*
  [22] De liefdadigheid van een man bewaart Hij als een zegelring
en iemands goedheid beschermt Hij als zijn oogappel*.
  [23] Uiteindelijk zal Hij opstaan en hun naar hun verdienste beoordelen;
wat zij verdienen zal Hij op hun hoofd laten neerkomen.
  [24] Alleen degenen die boetvaardig zijn staat Hij de terugkeer toe
en degenen die de moed verliezen moedigt Hij aan om het vol te houden.

Oproep tot bekering
  [25] Bekeer je tot de Heer en laat de zonden varen!
Bid voor zijn aangezicht en zorg dat je zo weinig mogelijk aanstoot geeft.
  [26] Keer terug tot de Allerhoogste
en wend je af van de ongerechtigheid*
en haat hevig wat verfoeilijk is.
  [27] Wie zal in het dodenrijk* de Allerhoogste loven,
zoals degenen die leven en voor Hem hun danklied zingen?
  [28] Bij een dode, die als niets is,
verstomt de lofprijzing.
Prijs de Heer terwijl je leeft en gezond bent!
 
  [29] Hoe groot is de barmhartigheid van de Heer
en hoe genadig is Hij voor wie zich tot Hem bekeren!
  [30] Want voor de mens is niet alles bereikbaar,
omdat het mensenkind niet onsterfelijk is.
  [31] Wat straalt helderder dan de zon?
En toch wordt ook zij verduisterd.
Maar vlees en bloed zijn tot het kwade geneigd.
  [32] De Heer overziet de legermacht van de hoge hemel,
de mensen zijn allemaal stof en as.
Hoofdstuk 17
 
  [1] De Heer heeft de mens uit de aarde geschapen
en doet hem naar haar terugkeren.
  [2] Hij schonk de mensen een afgemeten aantal dagen,
maar ook macht over alles wat er op de aarde is.
  [3] Hij heeft hen toegerust met zijn eigen kracht
en hen naar zijn eigen beeld gemaakt.
  [4] Alles wat leeft heeft hij ontzag voor de mens gegeven,
opdat deze zou heersen over dieren en vogels.
  [5] Hij kreeg van de Heer vijf zintuigen,
als zesde ontving hij van hem het verstand,
als zevende het woord, waarmee de daden van de Heer worden bekendgemaakt.
  [6] Denkvermogen, een tong, ogen, oren en een hart
gaf hij hem om begrip te verwerven.
  [7] Hij deelde hem rijkelijk kennis en inzicht toe
en toonde hem het goede en het kwade.
  [8] In zijn hart heeft hij ontzag voor hem gelegd,
opdat de mens zijn grote daden kon zien
en zich door de eeuwen heen op zijn wonderdaden kon beroemen,
  [9] opdat hij zijn grote daden zou verkondigen
en zijn heilige naam zou prijzen.
  [11] Hij schonk hun kennis en de wet die leven geeft,
opdat ze zouden beseffen dat zij, die leven, sterfelijk zijn.
 
  [12] Hij heeft met hen een eeuwig verbond gesloten
en hun zijn voorschriften gegeven.
  [13] Zij zagen zijn grote macht
en hoorden zijn krachtige stem.
  [14] Hij zei tegen hen: ‘Hoed je voor alle onrecht,’
en gaf hun regels voor de omgang met andere mensen.
  [15] Hun daden zijn hem volledig bekend,
ze blijven niet voor zijn ogen verborgen.
  [16] Ze zijn van kinds af aan gericht op het kwaad
en kunnen van hun hart van steen geen hart van vlees maken.

De Heer laat Israël niet in de steek
  [17] Toen de Heer de volken over de aarde verdeelde,
stelde hij over elk ervan een heerser aan,
maar Israël is het bezit van de Heer.
  [18] Omdat het zijn eerstgeborene is,
voedt hij het op en onderricht hij het.
Hij laat zijn volk niet in de steek,
het licht van zijn liefde schenkt hij het.
  [19] Al hun daden zijn voor hem zo zichtbaar als de zon,
zijn ogen zijn er altijd op gericht.
  [20] Hun onrechtvaardigheid is voor hem niet verborgen,
al hun zonden zijn de Heer bekend.
  [21] Maar de Heer, die goed is en zijn schepselen kent,
heeft hen niet verlaten en niet prijsgegeven; hij heeft hen gespaard.
  [22] De barmhartigheid van een mens is voor hem als een zegelring,
de goedheid van een mens koestert hij als zijn oogappel –
hij vervult zijn zonen en dochters met berouw.
  [23] Ten slotte zal hij komen en hun naar hun daden vergelden,
hun zonden laat hij neerkomen op hun eigen hoofd.
  [24] Maar wie berouw heeft geeft hij een nieuwe kans,
wie de hoop verliest moedigt hij aan.

Zondig niet langer
  [25] Wend je tot de Heer, zondig niet langer,
bid tot hem, geef hem zo weinig mogelijk aanstoot.
  [26] Keer terug tot de Allerhoogste, keer je af van onrecht,
want hijzelf leidt je uit de duisternis naar het genezende licht.
Haat alles wat gruwelijk is ten diepste.
  [27] Wie zal in het dodenrijk de Allerhoogste loven,
zoals de levenden, die voor hem een danklied zingen?
  [28] Een dode vergaat, zijn dankzegging sterft,
wie leeft en gezond is prijst de Heer.
  [29] Hoe groot is de barmhartigheid van de Heer,
hoe genadig is hij voor wie zich tot hem keert.
  [30] Want een mens is niet volmaakt,
een mensenkind is niet onsterfelijk.
  [31] Wat geeft meer licht dan de zon? Toch gaat ze onder.
Zo zijn vlees en bloed tot het kwaad geneigd.
  [32] De Heer overziet de machten van de hoge hemel,
maar alle mensen zijn stof en as.



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties