De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Het evangelie volgens Lucas
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 6
Aren plukken op sabbat
[1] Terwijl Hij op een sabbat door de korenvelden liep, plukten zijn leerlingen aren. Ze wreven die tussen hun handen en aten ervan. [2] Enkele farizeeën zeiden toen: ‘Waarom* doen jullie iets dat op sabbat niet mag?’ [3] Jezus antwoordde hun: ‘Hebt u dan niet gelezen wat David deed toen hij en zijn metgezellen honger kregen. [4] Dat hij het huis van God binnenging en de offerbroden meenam, ervan at en ze ook aan zijn metgezellen gaf, hoewel alleen priesters die mogen eten?’ [5] ‘De Mensenzoon is ook Heer van de sabbat’, zei Hij.

Een genezing op sabbat
     [6] Op een andere sabbat ging Hij naar de synagoge en gaf er onderricht. Daar was iemand wiens rechterhand verschrompeld was. [7] De schriftgeleerden en de farizeeën letten op Hem, om te zien of Hij op sabbat genezingen verrichtte; dan zouden ze Hem kunnen aanklagen. [8] Maar Hij wist wat ze dachten en zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Sta op en kom naar voren.’ En hij stond op en kwam. [9] Daarop zei Jezus tegen hen: ‘Ik vraag u of men op sabbat goed mag doen of kwaad, een leven mag redden of verloren laten gaan.’ [10] Hij keek hen allemaal aan, en zei tegen hem: ‘Strek uw hand.’ Hij deed het en zijn hand herstelde zich. [11] Maar zij werden razend en spraken er met elkaar over wat ze met Jezus zouden doen.

Keuze van twaalf apostelen
     [12] In die dagen ging Hij naar het gebergte om te bidden, en bracht er de hele nacht door in gebed tot God. [13] Toen het dag werd riep Hij zijn leerlingen, en uit* hen koos Hij er twaalf, die Hij ook apostelen noemde: [14] Simon*, die Hij ook Petrus noemde, diens broer Andreas, Jakobus, Johannes, Filippus, Bartolomeüs, [15] Matteüs, Tomas, Jakobus van Alfeüs, Simon de zeloot*, [16] Judas* van Jakobus, en Judas Iskariot*, die de verrader is geworden.

Toespraak tot de leerlingen en het volk
     [17] Samen met hen daalde Hij af naar een vlak terrein. Daar waren zijn leerlingen, in groten getale, en een grote volksmenigte uit heel het Joodse land en Jeruzalem, en uit het kustgebied van Tyrus en Sidon. [18] Ze waren gekomen om Hem te horen en van hun ziekten te worden genezen. Ook zij die geplaagd werden door onreine geesten, werden genezen. [19] En al die mensen probeerden Hem aan te raken, omdat er een kracht van Hem uitging die iedereen genas.
     [20] Hij richtte het oog op zijn leerlingen en zei: ‘Gelukkig* de armen, voor jullie is het koninkrijk van God. [21] Gelukkig die nu honger hebben, jullie zullen volop te eten hebben. Gelukkig die nu huilen, jullie zullen lachen. [22] Gelukkig zijn jullie als de mensen je haten, als ze je buitensluiten en beschimpen en je naam door het slijk halen omwille van de Mensenzoon; [23] dans die dag van blijdschap, want, vergeet niet, in de hemel wacht jullie een rijke beloning. Hetzelfde deden hun voorvaders immers met de profeten*. [24] Maar wee jullie, rijken, je hebt je troost al binnen. [25] Wee jullie die nu voldaan zijn, je zult honger hebben. Wee die nu lachen, jullie zullen rouwen en huilen. [26] Wee als alle mensen lovend over je spreken. Hetzelfde deden hun voorvaders immers met de valse profeten.
     [27] Maar tegen jullie die luisteren, zeg Ik: heb je vijanden lief, wees goed voor wie je haten, [28] zegen hen die je vervloeken en bid voor degenen die je smaden. [29] Slaat iemand je op de wang, bied hem dan ook de andere, en pakt iemand je jas af, weiger hem ook je hemd niet. [30] Vraagt iemand je om iets, geef het, en pakt men iets van je af, vraag het dan niet terug. [31] Behandel de mensen zoals je wilt dat ze jullie behandelen. [32] Als jullie je vrienden liefhebben, is er dan reden tot dankbaarheid? Ook de zondaars hebben hun vrienden lief. [33] En als jullie je weldoeners weldoen, is er dan reden tot dankbaarheid? Ook de zondaars doen dat. [34] En als jullie lenen aan mensen van wie je iets terugverwacht, is er dan reden tot dankbaarheid? Ook zondaars lenen aan zondaars om op hun beurt hetzelfde te krijgen. [35] Nee, heb je vijanden lief, doe wel en leen uit, en verwacht daarvoor niets terug. Dan zal er een rijke beloning voor jullie zijn: je wordt kinderen van de Allerhoogste, want ook Hij is goed voor ondankbare en slechte mensen. [36] Wees barmhartig, zoals jullie Vader barmhartig is. [37] Werp* je niet op als rechter, dan zullen jullie niet berecht worden. Veroordeel niet, dan zullen jullie niet veroordeeld worden. Spreek vrij, dan zullen jullie vrijgesproken worden. [38] Geef, dan zal jullie gegeven worden. Een mooie maat, stevig aangedrukt, goed geschud en overvol zal je in de schoot geworpen worden. Want met de maat waarmee jullie meten, zul je gemeten worden.’
     [39] Verder zei Hij tegen hen in beeldspraak: ‘Kan de ene blinde een gids zijn voor de andere? Dan vallen ze toch samen in een kuil? [40] Een leerling staat niet boven zijn leermeester; iemand die volleerd is zal als zijn leermeester zijn. [41] Wat kijk je naar de splinter in het oog van een ander terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt? [42] Hoe kun je tegen een ander zeggen: “Vriend, laat me de splinter weghalen die in je oog zit”, terwijl je de balk in je eigen oog niet ziet? Schijnheilige, haal eerst de balk uit je eigen oog; pas dan zie je scherp genoeg om de splinter weg te halen die in het oog van de ander zit. [43] Er is geen mooie boom die zieke vrucht draagt, en evenmin een zieke boom die mooie vrucht draagt. [44] Want iedere boom is herkenbaar aan zijn eigen vrucht. Van een doornstruik plukt men geen vijgen en van een braamstruik oogst men geen druiven. [45] Een* goed mens haalt uit de voorraad van zijn goede hart het goede tevoorschijn, en een slecht mens uit zijn slechte hart het slechte; want waar iemands hart vol van is, daarvan spreekt zijn mond.
     [46] Waarom roepen jullie Heer! Heer! tegen Mij en doen jullie niet wat Ik zeg? [47] Iedereen die bij Mij komt, Mij hoort en doet wat Ik zeg – Ik zal jullie laten zien op wie zo iemand lijkt. [48] Hij lijkt op iemand die bij het bouwen van zijn huis een diep gat groef en de fundering op de rots legde. Toen kwam er een overstroming en de rivier beukte tegen het huis, maar kon het niet aan het wankelen brengen, want het was goed gebouwd. [49] Maar wie hoort en niet doet, lijkt op iemand die een huis zomaar op de grond bouwde, zonder fundering: de rivier beukte ertegen en meteen stortte het in, en dat huis werd één grote ruïne.’
Hoofdstuk 6
Jezus en de sabbat
[1] Toen Jezus op sabbat eens door de korenvelden liep, begonnen zijn leerlingen aren te plukken. Ze wreven die stuk tussen hun handen en aten ervan. [2] Enkele Farizeeën zeiden echter: ‘Waarom doet u iets dat op sabbat niet mag?’ [3] Jezus antwoordde: ‘Hebt u dan niet gelezen wat David deed toen hij en zijn metgezellen honger hadden, [4] hoe hij het huis van God binnenging, de toonbroden nam, ervan at en ze uitdeelde aan zijn mannen, ook al mogen alleen de priesters van die broden eten?’ [5] En hij voegde eraan toe: ‘De Mensenzoon is heer en meester over de sabbat.’
     [6] Op een andere sabbat ging hij naar de synagoge, waar hij onderricht gaf. Daar was ook iemand met een verschrompelde rechterhand. [7] De schriftgeleerden en de Farizeeën letten op hem om te zien of hij op sabbat iemand zou genezen, want dan zouden ze hem op grond daarvan kunnen aanklagen. [8] Maar hij wist wat ze van plan waren en zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Sta op en kom in het midden staan.’ Dat deed de man. [9] Jezus zei tegen de Farizeeën en schriftgeleerden: ‘Ik vraag u of men op sabbat goed mag doen of kwaad, of men een leven mag redden of verloren laten gaan.’ [10] Nadat hij hen een voor een had aangekeken, zei hij tegen de man: ‘Strek uw hand uit.’ Dat deed hij en er kwam weer leven in zijn hand. [11] De schriftgeleerden en de Farizeeën raakten bijna buiten zinnen en begonnen onderling te overleggen wat ze met Jezus zouden doen.

Aanstelling van de twaalf apostelen
     [12] Op een van die dagen trok Jezus zich terug op de berg om te bidden. De hele nacht bleef hij tot God bidden. [13] Toen de dag aanbrak, riep hij de leerlingen bij zich en koos twaalf van hen uit, die hij apostelen noemde: [14] Simon, aan wie hij de naam Petrus gaf, diens broer Andreas, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartolomeüs, [15] Matteüs en Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon, die de IJveraar genoemd wordt, [16] Judas, de zoon van Jakobus, en Judas Iskariot, die een verrader werd.

Onderricht aan de leerlingen
     [17] Toen hij met hen de berg was afgedaald, bleef hij staan op een plaats waar het vlak was. Daar had een groot aantal van zijn leerlingen zich verzameld, evenals een menigte mensen uit heel Judea en Jeruzalem en uit de kuststreek van Tyrus en Sidon. [18] Ze waren gekomen om naar hem te luisteren en zich van hun ziekten te laten genezen; ook degenen die gekweld werden door onreine geesten werden genezen, [19] en de hele menigte probeerde hem aan te raken, want er ging een kracht van hem uit die allen genas.
     [20] Hij richtte zijn blik op zijn leerlingen en zei: ‘Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van God. [21] Gelukkig jullie die honger hebben, want je zult verzadigd worden. Gelukkig wie nu huilt, want je zult lachen. [22] Gelukkig zijn jullie wanneer de mensen jullie omwille van de Mensenzoon haten en buitensluiten en beschimpen en je naam door het slijk halen. [23] Wees verheugd als die dag komt en spring op van blijdschap, want jullie zullen rijkelijk beloond worden in de hemel. Vergeet niet dat hun voorouders de profeten op dezelfde wijze hebben behandeld.
     [24] Maar wee jullie die rijk zijn, jullie hebben je deel al gehad. [25] Wee jullie die nu verzadigd zijn, want je zult hongeren. Wee jullie die nu lachen, want je zult treuren en huilen. [26] Wee jullie wanneer alle mensen lovend over je spreken, want hun voorouders hebben de valse profeten op dezelfde wijze behandeld.
     [27] Tot jullie die naar mij luisteren zeg ik: heb je vijanden lief, wees goed voor wie jullie haten, [28] zegen wie jullie vervloeken, bid voor wie jullie slecht behandelen. [29] Als iemand je op de wang slaat, bied hem dan ook de andere wang aan, en weiger iemand die je je bovenkleed afneemt niet ook je onderkleed. [30] Geef aan ieder die iets van je vraagt, en eis je bezit niet terug als iemand het je afneemt. [31] Behandel anderen zoals je wilt dat ze jullie behandelen. [32] Is het een verdienste als je liefhebt wie jullie liefhebben? Want ook de zondaars hebben degenen lief die hen liefhebben. [33] En is het een verdienste als je weldaden bewijst aan wie weldaden bewijzen aan jullie? Ook de zondaars handelen zo. [34] En is het een verdienste als je geld leent aan degenen van wie jullie iets terug verwachten? Ook zondaars lenen geld aan zondaars in de verwachting alles terug te krijgen. [35] Nee, heb je vijanden lief, doe goed en leen geld aan anderen zonder iets terug te verwachten; dan zullen jullie rijkelijk worden beloond, en zullen jullie kinderen van de Allerhoogste zijn, want ook hij is goed voor wie ondankbaar en kwaadwillig is.
     [36] Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is. [37] Oordeel niet, dan zal er niet over je geoordeeld worden. Veroordeel niet, dan zul je niet veroordeeld worden. Vergeef, dan zal je vergeven worden. [38] Geef, dan zal je gegeven worden; een goede, stevig aangedrukte, goed geschudde en overvolle maat zal je worden toebedeeld. Want de maat die je voor anderen gebruikt, zal ook voor jullie worden gebruikt.’
     [39] Hij sprak ook in gelijkenissen tegen hen: ‘Kan de ene blinde de andere blinde leiden? Vallen ze dan niet beiden in een kuil? [40] Een leerling staat niet boven zijn leermeester; pas als iemand zich alles heeft eigen gemaakt, zal hij de gelijke zijn van zijn leermeester.
     [41] Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt? [42] Hoe kun je tegen hen zeggen: “Laat mij de splinter in je oog verwijderen,” terwijl je de balk in je eigen oog niet ziet? Huichelaar, verwijder eerst de balk uit je eigen oog, pas dan zul je scherp genoeg zien om de splinter in het oog van je broeder of zuster te verwijderen.
     [43] Een goede boom brengt geen slechte vruchten voort, en evenmin brengt een slechte boom goede vruchten voort. [44] Elke boom kun je aan zijn vruchten kennen, want van distels pluk je geen vijgen en van doornstruiken geen druiven. [45] Een goed mens brengt uit de goede schatkamer van zijn hart het goede voort, maar een slecht mens brengt uit zijn slechte schatkamer het kwade voort; want waar het hart vol van is daar loopt de mond van over.
     [46] Waarom roepen jullie “Heer, Heer” tegen mij, maar doen jullie niet wat ik zeg? [47] Ik zal jullie vertellen op wie degene lijkt die bij me komt, naar mijn woorden luistert en ernaar handelt: [48] hij lijkt op iemand die bij het bouwen van zijn huis een diep gat groef en het fundament op rotsgrond legde. Toen er een overstroming kwam, beukte het water tegen het huis, maar het stortte niet in omdat het degelijk gebouwd was. [49] Wie wel naar mijn woorden luistert maar niet doet wat ik zeg, lijkt op iemand die een huis bouwde zonder fundament, zodat het meteen instortte toen het water ertegen beukte en er alleen een bouwval overbleef.’



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties