Hoofdstuk 12 Waarschuwing en bemoediging van de leerlingen [1] Intussen* waren duizenden mensen samengestroomd, zodat men elkaar verdrong. Hij begon te spreken, allereerst tot zijn leerlingen. ‘Pas op voor de zuurdesem van de farizeeën, dat wil zeggen hun huichelarij! [2] Er is niets bedekt dat niet onthuld zal worden, of verborgen dat niet bekend zal worden. [3] Want wat jullie in het donker zeggen, zal men in het licht horen; en wat jullie elkaar binnenskamers in het oor fluisteren, zal men van de daken verkondigen. [4] Tegen jullie, die mijn vrienden zijn, zeg Ik: Wees niet bang voor hen die het lichaam doden, maar daarna tot niets meer in staat zijn. [5] Ik zal jullie duidelijk maken voor wie je bang moet zijn: je moet bang zijn voor Hem die de macht bezit om je te doden en daarna in de hel te gooien. Jazeker, dat is degene voor wie je bang moet zijn. [6] Vijf mussen kosten maar twee stuivers*, nietwaar? Toch wordt niet één daarvan door God vergeten. [7] Ja, zelfs de haren op jullie hoofd zijn allemaal geteld. Jullie moeten niet bang meer zijn. Er is nogal een verschil tussen jullie en een zwerm mussen. [8] Ik zeg jullie: als iemand bij de mensen voor Mij partij kiest, zal ook de Mensenzoon voor hem partij kiezen bij Gods engelen. [9] Maar wie Mij verloochent tegenover de mensen, zal verloochend worden tegenover Gods engelen. [10] Als iemand stelling neemt tegen de Mensenzoon, zal het hem vergeven worden. Maar wie de heilige* Geest lastert zal dat niet vergeven worden. [11] Als ze jullie voor synagogen, overheden en gezagsdragers leiden, maak je dan geen zorgen over hoe je je zult verdedigen of wat je zult zeggen; [12] want* de heilige Geest zal jullie op dat ogenblik leren wat je moet zeggen.’
Gelijkenis van een hebzuchtige boer [13] Iemand uit de menigte zei tegen Hem: ‘Meester, zeg tegen mijn broer dat* hij de erfenis met mij moet delen.’ [14] Hij zei tegen hem: ‘Wie heeft mij als scheidsrechter tussen u beiden aangesteld?’ [15] Hij zei tegen hen: ‘Pas op voor iedere vorm van hebzucht! Ook* al heeft een mens nog zo veel, zijn leven bezit hij niet.’ [16] Hij vertelde hun een gelijkenis: ‘Er was eens een rijke, wiens land veel had opgebracht. [17] Hij dacht* bij zichzelf: “Wat moet ik doen? Ik heb geen ruimte om mijn oogst op te slaan.” [18] “Dit ga ik doen,” dacht hij, “ik breek mijn schuren af en ga grotere bouwen; dan kan ik daar al het graan en mijn andere goederen in opslaan, [19] en tegen mezelf zeggen: Je hebt daar nu heel wat liggen, jongen, je kunt jaren vooruit. Rust nu maar eens uit, eet, drink en neem het ervan.” [20] Maar God* zei tegen hem: “Jij dwaas, nog deze nacht wordt je leven opgeëist, en voor wie zijn dan al die voorraden die je hebt aangelegd?” [21] Zo vergaat het iemand die rijke schatten verzamelt voor zichzelf en niet voor God.’
Maak je geen zorgen! [22] Hij zei tegen zijn leerlingen: ‘Daarom zeg Ik jullie: maak je niet bezorgd over wat je zult eten om in leven te blijven, of over de kleding voor je lichaam. [23] Want het leven is meer dan het eten, en het lichaam meer dan de kleding. [24] Kijk eens naar de kraaien: ze zaaien niet en ze oogsten niet, ze hebben geen voorraadkamer of schuur; God geeft ze te eten. En hoe groot is niet het verschil tussen jullie en deze vogels! [25] Wie van jullie kan met al zijn zorgen zijn leven ook maar een el verlengen? [26] Als jullie tot zoiets kleins niet in staat zijn, waarom maak je je dan bezorgd over de rest? [27] Kijk eens hoe de bloemen groeien: ze werken niet en spinnen niet; toch, zeg Ik jullie, was zelfs Salomo met al zijn pracht en praal niet zo mooi gekleed als een van deze bloemen. [28] Als God dit veldgewas, dat er vandaag staat en morgen in de oven wordt gegooid, zo kleedt, hoeveel te meer zal Hij dan jullie kleden, jullie met je klein geloof. [29] Houd toch eens op te zoeken naar wat je zult eten en wat je zult drinken. Maak je niet langer ongerust. [30] Want naar zulke dingen zijn alle volken van de wereld op zoek, maar jullie Vader weet dat je dat nodig hebt. [31] Nee, zoek zijn koninkrijk, dan krijg je die dingen erbij. [32] Wees niet bang, kleine kudde, want het heeft jullie Vader behaagd je het koninkrijk te schenken. [33] Verkoop je bezit en geef aalmoezen. Zorg voor beurzen die niet verslijten, een onuitputtelijke schat in de hemel, waar geen dief bij kan komen en die geen mot kan aantasten. [34] Want waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.
Blijf wakker! [35] Houd je lendenen omgord en je lampen brandend. [36] Jullie moeten net zo doen als mensen die hun heer opwachten wanneer hij thuiskomt van de bruiloft, om hem, als hij komt en aanklopt, meteen te kunnen opendoen. [37] Gelukkig zijn de knechten die de heer wakend aantreft bij zijn komst. Ik verzeker jullie dat hij zich omgordt, hen aan tafel nodigt en rondgaat om hen te bedienen. [38] Gelukkig zijn zij als hij hen zo aantreft, ook al komt hij om middernacht* of nog later. [39] Bedenk wel: als de heer des huizes geweten had hoe laat de dief komen zou, dan had hij de inbraak wel verhinderd. [40] Ook jullie moeten voorbereid zijn, want de Mensenzoon komt op een uur waarop je het niet verwacht.’
De verantwoordelijkheid van de beHEERder [41] ‘Heer, vertelt U deze gelijkenis met het oog op ons of voor iedereen?’ vroeg Petrus. [42] De Heer antwoordde: ‘Ja, wie zou die trouwe, verstandige beheerder zijn, die de heer zal aanstellen om zijn werkvolk op tijd hun eten te geven? [43] Gelukkig de knecht die daarmee bezig is wanneer zijn heer komt. [44] Ik verzeker jullie, hij zal hem aanstellen over al zijn bezittingen. [45] Maar als die knecht bij zichzelf zegt: “Mijn heer komt nog lang niet”, en de slaven en slavinnen mishandelt, en zelf gaat zitten eten en drinken, en zich gaat zitten bezatten, [46] dan komt de heer van die knecht op een dag waarop deze hem niet verwacht en op een uur dat hij niet kent. Dan zal hij hem onthoofden en hem het lot van de trouwelozen laten delen. [47] De knecht die weet wat zijn heer wil, maar niets heeft voorbereid of niet heeft gehandeld naar de wil van zijn heer, zal zwaar worden gestraft. [48] Maar wie die wil niet kent, en heeft gedaan wat slaag verdient, zal licht worden gestraft. Van iemand aan wie veel gegeven is, zal ook veel gevraagd worden; als iemand veel is toevertrouwd, zal men des te meer van hem eisen.
Verdeeldheid en geen vrede [49] Ik kwam om vuur* op aarde te brengen en wat zou Ik graag willen dat het al brandde. [50] Ik moet een doop* ondergaan, en hoe houd Ik het uit tot die volbracht is? [51] Denken jullie dat Ik ben gekomen om vrede te brengen op aarde? Nee, zeg Ik jullie, eerder verdeeldheid. [52] Vanaf nu zullen vijf mensen in één huis verdeeld zijn, drie tegen twee, en twee tegen drie: [53] vader tegen zoon, en zoon tegen vader; moeder tegen dochter, en dochter tegen moeder; schoonmoeder tegen schoondochter, en schoondochter tegen schoonmoeder.’
Het juiste oordeel [54] Tegen de menigte zei Hij: ‘Wanneer u een wolk ziet opkomen uit het westen, zegt u terecht: Er komt regen, en zo gebeurt het. [55] En wanneer de zuidenwind waait, zegt u: Het zal heet worden, en het gebeurt. [56] Huichelaars! De verschijnselen van hemel en aarde kunt u beoordelen, waarom kunt u deze tijd dan niet beoordelen? [57] Waarom stelt u niet uit uzelf vast wat rechtvaardig is? [58] Als u met uw tegenpartij naar de rechtbank gaat, stel dan onderweg nog alles in het werk om van hem af te komen, voor hij u voor de rechter sleept, en de rechter u aan de gerechtsdienaar overlevert, en de gerechtsdienaar u in de gevangenis gooit. [59] Ik zeg u, u zult daar niet uitkomen voordat u tot de laatste cent* betaald hebt.’
Hoofdstuk 12 Onderricht aan de leerlingen en de menigte [1] Intussen had er zich een enorme menigte verzameld. De mensen verdrongen elkaar, maar hij richtte zich eerst tot zijn leerlingen: ‘Hoed je voor de zuurdesem, dat wil zeggen de huichelarij van de Farizeeën. [2] Niets is verborgen dat niet onthuld zal worden, en niets is geheim dat niet bekend zal worden. [3] Alles wat jullie in het duister zeggen, zal in het licht worden gehoord, en wat jullie binnenskamers in iemands oor fluisteren, zal vanaf de daken bekend worden gemaakt. [4] Tegen jullie, mijn vrienden, zeg ik: wees niet bang voor degenen die het lichaam kunnen doden, maar niet tot iets ergers in staat zijn. [5] Ik zal jullie zeggen voor wie je bang moet zijn. Wees bang voor hem die de macht heeft om iemand niet alleen te doden maar ook in de Gehenna te werpen. Ja, ik zeg jullie, wees bang voor hem! [6] Wat kosten vijf mussen? Bijna niets. Toch wordt er niet één door God vergeten. [7] Zelfs de haren op jullie hoofd zijn alle geteld. Wees niet bang, jullie zijn meer waard dan een hele zwerm mussen. [8] Ik zeg jullie: iedereen die mij erkent bij de mensen, zal ook door de Mensenzoon worden erkend bij de engelen van God. [9] Maar wie mij verloochent bij de mensen, zal verloochend worden bij de engelen van God. [10] En iedereen die iets ten nadele van de Mensenzoon zegt, zal worden vergeven. Maar wie lastertaal spreekt tegen de heilige Geest zal niet worden vergeven. [11] Wanneer ze jullie voor de synagogen en de autoriteiten en het gerecht slepen, vraag je dan niet bezorgd af hoe of waarmee je je moet verdedigen of wat je moet zeggen, [12] want de heilige Geest zal jullie op dat moment ingeven wat je moet zeggen.’ [13] Iemand uit de menigte zei tegen hem: ‘Meester, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen!’ [14] Maar Jezus antwoordde: ‘Wie heeft mij als rechter of bemiddelaar over jullie aangesteld?’ [15] Hij zei tegen hen: ‘Pas op, hoed je voor iedere vorm van hebzucht, want iemands leven hangt niet af van zijn bezittingen, zelfs niet wanneer hij die in overvloed heeft.’ [16] En hij vertelde hun de volgende gelijkenis: ‘Het landgoed van een rijke man had veel opgebracht, [17] en daarom vroeg hij zich af: Wat moet ik doen? Ik heb geen ruimte om mijn voorraden op te slaan. [18] Toen zei hij bij zichzelf: Wat ik zal doen is dit: ik breek mijn schuren af en bouw grotere, waar ik al mijn graan en goederen kan opslaan, [19] en dan zal ik tegen mezelf zeggen: Je hebt veel goederen in voorraad, genoeg voor vele jaren! Neem rust, eet, drink en vermaak je. [20] Maar God zei tegen hem: “Dwaas, nog deze nacht zal je leven van je worden teruggevorderd. Voor wie zijn dan de schatten die je hebt opgeslagen?” [21] Zo vergaat het iemand die schatten verzamelt voor zichzelf, maar niet rijk is bij God.’ [22] Hij zei tegen zijn leerlingen: ‘Om deze reden zeg ik tegen jullie: maak je geen zorgen over jezelf en over wat je zult eten, noch over je lichaam en over wat je zult aantrekken. [23] Want het leven is meer dan voedsel en het lichaam meer dan kleding. [24] Kijk naar de raven: ze zaaien niet en oogsten niet, ze hebben geen voorraadkamer en geen schuur, het is God die ze voedt. Hoeveel meer zijn jullie niet waard dan de vogels! [25] Wie van jullie kan door zich zorgen te maken één el aan zijn levensduur toevoegen? [26] Als jullie dus zelfs het geringste al niet kunnen, waarom maken jullie je dan zorgen over de rest? [27] Kijk naar de lelies, kijk hoe ze groeien. Ze werken niet en weven niet. Ik zeg jullie: zelfs Salomo ging in al zijn luister niet gekleed als een van hen. [28] Als God het groen dat vandaag nog op het veld staat en morgen in de oven gegooid wordt al met zo veel zorg kleedt, met hoeveel meer zorg zal hij jullie dan niet kleden, kleingelovigen? [29] Ook jullie moeten niet nadenken over wat je zult eten en wat je zult drinken, en jullie moeten je niet door zorgen laten kwellen. [30] De volken van deze wereld jagen die dingen na, maar jullie Vader weet dat je ze nodig hebt. [31] Zoek liever zijn koninkrijk, en die andere dingen zullen je erbij gegeven worden. [32] Vrees niet, kleine kudde, want jullie Vader heeft jullie het koninkrijk willen schenken. [33] Verkoop je bezittingen en geef aalmoezen. Maak voor jezelf een geldbuidel die niet verslijt, een schat in de hemel die niet opraakt, waar een dief niet bij kan en die door geen mot kan worden aangevreten. [34] Waar jullie schat is, daar zal ook jullie hart zijn. [35] Sta klaar, doe je gordel om en houd de lampen brandend, [36] en wees als knechten die hun heer opwachten wanneer hij terugkeert van een bruiloft, zodat ze direct voor hem opendoen wanneer hij aanklopt. [37] Gelukkig de knechten die de heer bij zijn komst wakend aantreft. Ik verzeker jullie: hij zal zijn gordel omdoen, hen aan tafel nodigen en hen bedienen. [38] Gelukkig degenen die hij zo aantreft, ook al komt hij midden in de nacht of kort voor het aanbreken van de dag. [39] Besef wel: als de heer des huizes had geweten op welk uur de dief zou komen, dan zou hij niet in zijn huis hebben laten inbreken. [40] Ook jullie moeten klaarstaan, want de Mensenzoon komt op een tijdstip waarop je het niet verwacht.’ [41] Petrus vroeg: ‘Heer, is deze gelijkenis alleen voor ons bedoeld of voor iedereen?’ [42] De Heer antwoordde: ‘Wie is die betrouwbare en verstandige rentmeester die de heer zal aanstellen over zijn knechten om hun op tijd het eten te geven dat hun toekomt? [43] Gelukkig de dienaar die daarmee bezig is wanneer zijn heer komt. [44] Ik verzeker jullie: hij zal hem aanstellen over alles wat hij bezit. [45] Maar als die dienaar bij zichzelf zegt: Mijn heer komt maar niet, en als hij de knechten en dienstmeisjes gaat slaan, zich volvreet en zich bedrinkt, [46] dan komt de heer van die dienaar op een dag waarop hij het niet verwacht en op een tijdstip dat hij niet kent, en dan zal hij hem straffen met zijn zwaard en hem het lot van de trouwelozen doen ondergaan. [47] De dienaar die weet wat zijn heer wil, maar geen voorbereidingen treft en niet overeenkomstig zijn wil handelt, zal veel slagen te verduren krijgen. [48] Maar wie niet weet wat zijn heer wil en zo handelt dat hij slaag verdient, zal weinig slagen te verduren krijgen. Van iedereen aan wie veel gegeven is, zal veel worden geëist, en hoe meer aan iemand is toevertrouwd, des te meer zal van hem worden gevraagd. [49] Ik ben gekomen om op aarde een vuur te ontsteken, en wat zou ik graag willen dat het al brandde! [50] Ik moet een doop ondergaan, en ik word hevig gekweld zolang die niet volbracht is. [51] Denken jullie dat ik gekomen ben om vrede te brengen op aarde? Geenszins, zeg ik jullie, ik kom verdeeldheid brengen. [52] Vanaf heden zullen vijf in één huis verdeeld zijn: drie tegen twee en twee tegen drie. [53] De vader zal tegenover zijn zoon staan en de zoon tegenover zijn vader, de moeder tegenover haar dochter en de dochter tegenover haar moeder, de schoonmoeder tegenover haar schoondochter en de schoondochter tegenover haar schoonmoeder.’ [54] Tegen de menigte zei hij: ‘Wanneer jullie een wolk zien opkomen in het westen, zeggen jullie meteen dat er regen op komst is, en dat is ook zo. [55] En wanneer jullie merken dat de wind uit het zuiden komt, zeggen jullie dat er hitte op komst is, en dat is ook zo. [56] Huichelaars! De aanblik van de aarde en de hemel kunnen jullie duiden, hoe kan het dan dat jullie deze tijd niet kunnen duiden? [57] Waarom bepalen jullie niet uit jezelf wat juist is? [58] Als je met je tegenstander op weg bent naar een hoge autoriteit, doe dan moeite om nog onderweg tot een vergelijk met hem te komen, anders sleept hij je voor de rechter, en de rechter zal je uitleveren aan de gerechtsdienaar, en die zal je in de gevangenis gooien. [59] Ik zeg je, dan kom je niet vrij voor je ook de laatste cent betaald hebt.’
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.