Hoofdstuk 6 Jezus geeft vijfduizend mensen te eten [1] Enige tijd later stak Jezus het meer van Galilea over, ook het meer van Tiberias genoemd. [2] Een grote massa mensen volgde Hem omdat* ze de tekenen gezien hadden die Hij aan de zieken verrichtte. [3] Jezus trok het gebergte in en ging daar zitten met zijn leerlingen. [4] Het was kort voor het Joodse paasfeest. [5] Toen Jezus zijn ogen opsloeg en zag dat er een massa mensen naar Hem toestroomde, zei Hij tegen Filippus: ‘Waar* zullen we brood halen om al die mensen te eten te geven?’ [6] Dit zei Hij bij wijze van proef; Hij wist zelf wel wat Hij ging doen. [7] Filippus antwoordde: ‘Zelfs als we voor tweehonderd denariën* brood kopen, is dat niet genoeg om ieder ook maar een klein stukje te geven.’ [8] Een van zijn leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, merkte op: [9] ‘Er is hier een jongen die vijf gerstebroden en twee gedroogde visjes bij zich heeft; maar wat hebben we daaraan voor zo’n aantal?’ [10] Hierop zei Jezus: ‘Zeg tegen de mensen dat ze moeten gaan zitten.’ Er was daar veel gras en ze gingen dus zitten; er waren ongeveer vijfduizend mannen. [11] Daarop nam Jezus de broden, en na het uitspreken van het dankgebed deelde Hij ze uit onder de aanwezigen, en zo ook de vissen, zoveel ze maar wilden. [12] Nadat ze volop hadden kunnen eten zei Hij tegen zijn leerlingen: ‘Verzamel nu de overgebleven brokken, zodat er niets verloren gaat.’ [13] Ze verzamelden ze dus: twaalf korven vulden ze met brokken die van de vijf gerstebroden na de spijziging waren overgebleven. [14] Bij het zien van het teken dat Jezus verricht had, zeiden de mensen: ‘Dit is ongetwijfeld de profeet* die in de wereld komen zou.’ [15] Omdat Jezus doorhad dat ze Hem met alle geweld gingen meenemen en tot koning uitroepen, trok Hij zich weer, geheel alleen, in het gebergte terug.
Wonderbare overtocht [16] Toen het avond was geworden, daalden zijn leerlingen af naar het meer [17] en gingen aan boord om over te steken naar Kafarnaüm. Het was intussen donker geworden en Jezus* was nog niet naar hen toe gekomen. [18] Ook woei er een hevige wind, zodat het water woelig begon te worden. [19] Toen ze ongeveer vijfentwintig of dertig stadiën* ver waren, zagen ze Jezus die over het meer liep en in de buurt van de boot kwam, en ze werden bang. [20] Maar Hij zei tegen hen: ‘Ik* ben het. Je hoeft niet bang te zijn.’ [21] Ze* wilden Hem toen aan boord nemen, maar meteen was de boot aan land op de plaats waar ze naartoe voeren.
De menigte op zoek naar Jezus [22] De volgende dag bevond de menigte zich nog steeds aan de overkant van het meer. Ze hadden daar maar één boot zien liggen en hadden Jezus niet zien meegaan toen zijn leerlingen wegvoeren. [23] Wel waren daar andere boten uit Tiberias aangeland, dichtbij de plaats waar ze het brood hadden gegeten na het dankgebed van de Heer. [24] Toen Jezus nergens te zien was, en ook zijn leerlingen niet, stapten ze in die boten en voeren ze naar Kafarnaüm om Jezus te zoeken. [25] Ze vonden Hem aan de overkant van het meer en vroegen Hem: ‘Rabbi, wanneer bent U hier gekomen?’
Jezus: het brood om van te leven [26] Jezus gaf ten antwoord: ‘Waarachtig, Ik verzeker u: u zoekt Mij niet omdat u tekenen hebt gezien, maar omdat u volop hebt kunnen eten. [27] U moet niet zoveel werk maken van vergankelijk voedsel, maar liever van het voedsel dat blijft, het voedsel van het eeuwig leven, dat de Mensenzoon u zal geven; want op Hem* heeft de Vader, God zelf, zijn zegel gedrukt.’ [28] Daarop zeiden ze: ‘Wat moeten we doen als we de werken willen verrichten die God van ons vraagt?’ [29] Jezus gaf hun ten antwoord: ‘Dit werk vraagt God van u: dat u gelooft in Hem die Hij gezonden heeft.’ [30] Daarop zeiden ze: ‘Maar U, welk teken verricht U dan wel? We willen zien om U te kunnen geloven. Op welk werk kunt U zich beroepen? [31] Onze voorouders hebben in de woestijn het manna gegeten, zoals geschreven staat: Brood uit de hemel gaf* hij hun te eten.’ [32] Jezus hernam: ‘Waarachtig, Ik verzeker u: niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven; mijn Vader is het die u het brood uit de hemel geeft, het echte. [33] Want het brood dat God geeft, is Hij die uit de hemel neerdaalt en aan de wereld leven geeft.’ [34] ‘Heer,’ zeiden ze, ‘geef ons dat brood dan, voor altijd.’ [35] Jezus antwoordde: ‘Ik ben het brood* om van te leven. Wie naar Mij toe komt krijgt geen honger meer, en wie in Mij gelooft krijgt nooit meer dorst. [36] Maar zoals Ik u gezegd heb: u* hebt Mij gezien en toch gelooft u niet. [37] Allen die de Vader Mij toevertrouwt, komen naar Mij toe, en wie naar Mij toe komen, zal Ik nooit buitensluiten. [38] Want niet om mijn eigen wil te doen ben Ik uit de hemel neergedaald, maar om de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft. [39] Dit is de wil van Hem die Mij gezonden heeft: dat Ik van allen die Hij Mij heeft toevertrouwd, niemand verloren laat gaan, maar hen allemaal op de laatste dag* laat opstaan. [40] Want dit is de wil van mijn Vader: dat wie de Zoon ziet en in Hem gelooft, eeuwig leven bezit en dat Ik hem op de laatste dag laat opstaan.’ [41] Intussen waren de Joden gaan morren* omdat Hij gezegd had: ‘Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald.’ [42] ‘Dit is toch Jezus, de zoon van Jozef?’ zeiden ze. ‘En zijn vader en moeder zijn hier toch bekend? Hoe kan Hij dan beweren: “Ik ben uit de hemel neergedaald”?’ [43] Jezus gaf hun ten antwoord: ‘Houd op met dat gemor! [44] Niemand kan naar Mij toe komen tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem naar Mij toe haalt – en Ik laat hem op de laatste dag opstaan. [45] Er staat geschreven bij de Profeten: En allen zullen onderricht ontvangen van God. Wie naar de Vader heeft geluisterd en bij Hem in de leer is geweest, komt naar Mij toe. [46] Niet dat iemand de Vader ooit gezien heeft: alleen Hij* die van God komt, heeft de Vader gezien. [47] Waarachtig, Ik verzeker u: wie gelooft, bezit eeuwig leven. [48] Ik ben het brood om van te leven. [49] Uw voorouders hebben in de woestijn het manna gegeten, en toch zijn ze gestorven. [50] Zo is het niet met het brood dat uit de hemel neerdaalt: wie daarvan eet zal niet sterven. [51] Ik ben het levende brood, dat uit de hemel is neergedaald. Als men van dát brood eet, zal men leven in eeuwigheid. En* het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees, voor het leven van de wereld.’ [52] Toen ontstond er onder de Joden een discussie: ‘Hoe* kan Hij ons zijn vlees te eten geven?’ [53] Daarop* hernam Jezus: ‘Waarachtig, Ik verzeker u: als u het vlees van de Mensenzoon niet eet, als u zijn bloed niet drinkt, is er geen leven in u. [54] Maar wie mijn vlees en bloed eet en drinkt, die bezit eeuwig leven: op de laatste dag laat Ik hem opstaan, [55] want mijn vlees* is echt voedsel, mijn bloed is echte drank. [56] Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft met Mij verbonden en Ik met hem. [57] Zoals Ik leef uit de Vader, de Levende, die Mij gezonden heeft, zo zal ook hij die zich met Mij voedt, leven uit Mij. [58] Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald, niet dat wat uw voorouders hebben gegeten, die niettemin gestorven zijn. Wie zich met dit brood voedt, zal leven in eeuwigheid.’ [59] Zo luidde de onderrichting die Jezus hield in een synagoge van Kafarnaüm.
Woorden van eeuwig leven [60] Velen van zijn leerlingen die Hem gehoord hadden, zeiden: ‘Dit zijn harde woorden. Wie kan daar nog naar luisteren?’ [61] Maar Jezus, die wist dat dit bij zijn leerlingen gemor uitlokte, zei: ‘Dit ergert jullie dus? [62] En* als jullie nu de Mensenzoon eens zien opstijgen naar waar Hij vroeger was? [63] Het is de Geest die levend maakt, het vlees helpt niets. De woorden die Ik tot jullie gesproken heb, zijn geest: ze zijn leven. [64] Maar er zijn er onder jullie die niet geloven.’ Jezus wist immers al vanaf het eerste moment wie het waren die niet geloofden en wie het was die Hem zou overleveren. [65] En Hij vervolgde: ‘Dat is de reden waarom Ik zei dat niemand naar Mij toe kan komen tenzij hem dit door de Vader geschonken is.’ [66] Toen keerden velen van zijn leerlingen Hem de rug toe en trokken niet langer met Hem mee. [67] Hierop vroeg Jezus aan de twaalf: ‘Jullie willen toch niet óók weggaan?’ [68] Simon Petrus antwoordde: ‘Maar Heer, naar wie zouden we gaan? In uw woorden vinden we inderdaad eeuwig leven. [69] Wij geloven vast en zeker dat u de heilige van God bent.’ [70] Jezus besloot: ‘Ben Ik het niet die jullie, alle twaalf, heb gekozen? En toch is een van jullie een duivel.’ [71] Hiermee doelde Hij op Judas, de zoon van Simon Iskariot; die zou Hem namelijk overleveren: een van de twaalf.
Hoofdstuk 6 Het teken van het brood [1] Daarna ging Jezus naar de overkant van het Meer van Galilea (ook wel het Meer van Tiberias genoemd). [2] Een grote menigte mensen volgde hem, omdat ze gezien hadden welke wondertekenen hij bij zieken deed. [3] Jezus ging de berg op, en ging daar met zijn leerlingen zitten. [4] Het was kort voor het Joodse pesachfeest. [5] Toen Jezus om zich heen keek en zag dat die menigte naar hem toe kwam, vroeg hij aan Filippus: ‘Waar kunnen we brood kopen om deze mensen te eten te geven?’ [6] Hij vroeg dat om Filippus op de proef te stellen, want zelf wist hij al wat hij zou gaan doen. [7] Filippus antwoordde: ‘Zelfs tweehonderd denarie zou niet voldoende zijn om iedereen een klein stukje brood te geven.’ [8] Een van de leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, zei: [9] ‘Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen – maar wat hebben we daaraan voor zoveel mensen?’ [10] Jezus zei: ‘Laat iedereen gaan zitten.’ Er was daar veel gras, en ze gingen zitten; er waren ongeveer vijfduizend mannen. [11] Jezus nam de broden, sprak het dankgebed uit en verdeelde het brood onder de mensen die er zaten. Hij gaf hun ook vis, zoveel als ze wilden. [12] Toen iedereen volop gegeten had zei hij tegen zijn leerlingen: ‘Verzamel nu de overgebleven stukken brood, zodat er niets verloren gaat.’ [13] Dat deden ze en ze vulden twaalf manden met wat overgebleven was van de vijf gerstebroden die men had gegeten. [14] Toen de mensen het wonderteken dat hij gedaan had zagen, zeiden ze: ‘Hij moet wel de profeet zijn die in de wereld zou komen.’ [15] Jezus begreep dat ze hem wilden dwingen om mee te gaan en hem dan tot koning zouden uitroepen. Daarom trok hij zich terug op de berg, alleen. [16] Bij het vallen van de avond daalden zijn leerlingen af naar het meer; [17] ze stapten in een boot en zetten koers naar de overkant, naar Kafarnaüm. Het was al donker geworden, en Jezus was nog niet naar hen toe gekomen. [18] Er stak een hevige wind op en het meer werd onstuimig. [19] Toen ze vijfentwintig of dertig stadie geroeid hadden, zagen ze plotseling Jezus over het meer lopen; hij was dicht bij de boot en ze werden bang. [20] Maar hij zei: ‘Ik ben het, wees niet bang.’ [21] Ze wilden hem aan boord nemen, maar meteen kwam de boot aan land op de plaats waar ze naartoe wilden. [22] De volgende dag stond de menigte weer aan de oever van het meer. Ze hadden gezien dat er maar één boot was en dat Jezus niet aan boord was gegaan, maar dat zijn leerlingen alleen vertrokken waren. [23] Nu legden er andere boten uit Tiberias aan, dicht bij de plek waar ze het brood gegeten hadden nadat de Heer het dankgebed had uitgesproken. [24] Toen de mensen zagen dat Jezus en zijn leerlingen er niet waren, stapten ze in die boten en voeren ze naar Kafarnaüm om hem te zoeken. [25] Ze vonden hem aan de overkant van het meer en vroegen: ‘Rabbi, wanneer bent u hier gekomen?’ [26] Jezus zei: ‘Waarachtig, ik verzeker u: u zoekt me niet omdat u tekenen hebt gezien, maar omdat u brood gegeten hebt en verzadigd bent. [27] U moet geen moeite doen voor voedsel dat vergaat, maar voor voedsel dat niet vergaat en eeuwig leven geeft; de Mensenzoon zal het u geven, want de Vader, God zelf, heeft hem die volmacht gegeven.’ [28] Ze vroegen: ‘Wat moeten we doen? Hoe doen we wat God wil?’ [29] ‘Dit moet u voor God doen: geloven in hem die hij gezonden heeft,’ antwoordde Jezus. [30] Toen vroegen ze: ‘Welk wonderteken kunt u dan verrichten? Als we iets zien zullen we in u geloven. Wat kunt u doen? [31] Onze voorouders hebben immers manna in de woestijn gegeten, zoals geschreven staat: “Brood uit de hemel heeft hij hun te eten gegeven.”’ [32] Maar Jezus zei: ‘Waarachtig, ik verzeker u: niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader; hij geeft u het ware brood uit de hemel. [33] Het brood van God is het brood dat neerdaalt uit de hemel en dat leven geeft aan de wereld.’ [34] ‘Geef ons altijd dat brood, Heer!’ zeiden ze toen. [35] ‘Ik ben het brood dat leven geeft,’ zei Jezus. ‘Wie bij mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in mij gelooft zal nooit meer dorst hebben. [36] Maar ik heb u al gezegd dat u niet gelooft, ook al hebt u me gezien. [37] Iedereen die de Vader mij geeft zal bij mij komen, en wie bij mij komt zal ik niet wegsturen, [38] want ik ben niet uit de hemel neergedaald om te doen wat ik wil, maar om te doen wat hij wil die mij gezonden heeft. [39] Dit is de wil van hem die mij gezonden heeft: dat ik niemand van wie hij mij gegeven heeft verloren laat gaan, maar dat ik hen allen laat opstaan op de laatste dag. [40] Dit wil mijn Vader: dat iedereen die de Zoon ziet en in hem gelooft, eeuwig leven heeft, en dat ik hen op de laatste dag uit de dood zal opwekken.’ [41] De Joden begonnen te protesteren omdat hij zei dat hij het brood was dat uit de hemel was neergedaald. [42] ‘Dat is toch Jezus, de zoon van Jozef? We weten toch wie zijn vader en moeder zijn? Hoe kan hij dan zeggen dat hij uit de hemel is neergedaald?’ [43] Jezus zei: ‘Ik hoor u bezwaren maken. [44] Toch kan niemand bij mij komen, tenzij de Vader die mij gezonden heeft hem bij me brengt, en ik zal hem op de laatste dag tot leven wekken. [45] Het staat geschreven in de Profeten: “Zij zullen allemaal door God onderricht worden.” Iedereen die naar de Vader luistert en van hem leert komt bij mij. [46] Niet dat iemand ooit de Vader gezien heeft – alleen hij die van God komt, heeft hem gezien. [47] Waarachtig, ik verzeker u: wie gelooft,* heeft eeuwig leven. [48] Ik ben het brood dat leven geeft. [49] Uw voorouders hebben in de woestijn manna gegeten en toch zijn zij gestorven. [50] Maar dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald; wie dit eet sterft niet. [51] Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; wanneer iemand dit brood eet zal hij eeuwig leven. En het brood dat ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn lichaam.’ [52] Nu begonnen de Joden heftig met elkaar te discussiëren: ‘Hoe kan die man ons zijn lichaam te eten geven!’ [53] Daarop zei Jezus: ‘Waarachtig, ik verzeker u: als u het lichaam van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt u geen leven in u. [54] Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en hem zal ik op de laatste dag uit de dood opwekken. [55] Mijn lichaam is het ware voedsel en mijn bloed is de ware drank. [56] Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik blijf in hem. [57] De levende Vader heeft mij gezonden, en ik leef door de Vader; zo zal wie mij eet, leven door mij. [58] Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet het brood dat uw voorouders aten; zij zijn gestorven, maar wie dit brood eet zal eeuwig leven.’ [59] Dit alles zei hij in de synagoge van Kafarnaüm toen hij daar onderricht gaf. [60] Veel leerlingen die het gehoord hadden zeiden: ‘Dit zijn harde woorden, wie kan daarnaar luisteren?’ [61] Jezus wist wel dat zijn leerlingen protesteerden en zei tegen hen: ‘Ergeren jullie je hieraan? [62] Maar als jullie nu de Mensenzoon zouden zien opstijgen naar waar hij eerst was? [63] De Geest maakt levend, het lichaam dient tot niets. Wat ik gezegd heb is Geest, en leven. [64] Maar sommigen van jullie geloven niet.’ Jezus wist namelijk vanaf het begin wie er niet geloofden en wie hem zou uitleveren. [65] ‘Daarom heb ik jullie gezegd,’ zei hij, ‘dat iemand alleen bij mij kan komen als het hem door de Vader gegeven is.’ [66] Toen trokken veel leerlingen zich terug en gingen niet verder met hem mee. [67] Jezus vroeg nu aan de twaalf: ‘Willen jullie soms ook weggaan?’ [68] Simon Petrus gaf antwoord: ‘Naar wie zouden we moeten gaan, Heer? U spreekt woorden die eeuwig leven geven, [69] en wij geloven en weten dat u de Heilige van God* bent.’ [70] Jezus zei: ‘Ikzelf heb jullie alle twaalf uitgekozen, en toch is een van jullie een duivel.’ [71] Hiermee doelde hij op Judas, de zoon van Simon Iskariot, want hij, een van de twaalf, zou hem uitleveren.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.