Hoofdstuk 12 Zalving in Betanië [1] Jezus kwam zes dagen voor het paasfeest naar Betanië, de woonplaats van Lazarus, de man die door Jezus uit de doden was opgewekt. [2] Men gaf daar een maaltijd ter ere van Hem; Marta trad op als gastvrouw en Lazarus was een van degenen die met Hem aan tafel zaten. [3] Maria kwam met een litra* echte, heel dure nardusbalsem* naar Jezus toe, zalfde daarmee zijn voeten en droogde die met haar haren af. Het huis werd vervuld van de balsemgeur. [4] Judas Iskariot, een van zijn leerlingen, degene die Hem zou overleveren, merkte op: [5] ‘Waarom heeft men die balsem niet voor driehonderd* denariën verkocht en het geld aan de armen gegeven?’ [6] Dit zei hij niet omdat hij zo met de armen begaan was, maar omdat hij een dief was en zich, als beheerder van de kas, de inkomsten toe-eigende. [7] Toen kwam Jezus tussenbeide: ‘Laat haar! Ze moest die balsem bewaren voor de dag van mijn begrafenis. [8] De armen zullen jullie altijd bij je hebben, maar Mij niet.’
Plannen om Lazarus te doden [9] Heel veel Joden waren intussen te weten gekomen dat Hij daar was en kwamen eropaf, niet* alleen vanwege Jezus maar ook omdat ze graag die Lazarus wilden zien die Hij uit de doden had opgewekt. [10] De hogepriesters maakten toen plannen om ook Lazarus ter dood te brengen, [11] want wegens hem liepen er veel Joden over, en ze gingen in Jezus geloven.
Intocht in Jeruzalem [12] De volgende dag hoorde de menigte feestgangers dat Jezus toch naar Jeruzalem kwam, en in groten getale [13] trokken ze Hem met palmtakken tegemoet. Ze riepen almaar: ‘Hosanna! Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer: de koning van Israël!’ [14] Jezus wist een ezeltje te vinden en ging erop zitten, zoals geschreven staat: [15] Vrees niet, dochter Sion! Zie, uw koning komt, gezeten op een ezelsveulen. [16] Dit begrepen zijn leerlingen aanvankelijk niet; maar toen Jezus verheerlijkt was, toen werd het hun duidelijk dat het geschreven stond met het oog op Hem en dat dit met Hem ook gebeurd was. [17] Veel mensen die erbij waren geweest toen Hij Lazarus uit het graf riep en uit de doden opwekte, bleven daarvan getuigenis afleggen. [18] Dat was ook de reden waarom de menigte Hem tegemoet was getrokken: ze hadden gehoord dat Hij dit teken had verricht. [19] De farizeeën mopperden tegen elkaar: ‘Zie je wel? We komen geen stap verder. Kijk maar, de hele wereld loopt Hem achterna.’
Jezus’ laatste openlijke optreden [20] Nu waren er ook Grieken* onder de pelgrims die ter gelegenheid van het feest aan de eredienst kwamen deelnemen. [21] Ze wendden zich tot Filippus, die afkomstig was uit Betsaïda in Galilea, met het verzoek: ‘We zouden Jezus willen ontmoeten*.’ [22] Filippus ging dit bespreken met Andreas en samen gingen ze toen de zaak aan Jezus voorleggen. [23] Jezus gaf hun ten antwoord: ‘Het uur* is gekomen dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt. [24] Waarachtig, Ik verzeker jullie: als een graankorrel niet in de akkergrond sterft, blijft hij onvruchtbaar. Maar hij moet sterven, alleen dan brengt hij rijke vruchten voort. [25] Wie zich aan zijn leven vastklampt, verliest het; maar wie zijn leven prijsgeeft in deze wereld, zal het behouden voor het eeuwig leven. [26] Wie Mij wil dienen*, zal Mij moeten volgen*, en waar* Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn: wie Mij dient, zal erkenning vinden bij de Vader. [27] Nu* het zover is, is mijn ziel ontsteld. Zal Ik dan zeggen: “Vader, red Mij uit dit uur”? Nee, want juist daarom ben Ik gekomen: met het oog op dit uur. [28] Vader*, verheerlijk uw naam!’ Toen* klonk er een stem uit de hemel: ‘Die heb Ik al verheerlijkt en ook nu zal Ik Hem verheerlijken.’ [29] De* mensen die hadden staan luisteren, dachten dat het gedonderd had. Maar sommigen zeiden: ‘Er heeft een engel tegen Hem gesproken.’ [30] Jezus zei echter: ‘Niet voor Mij heeft die stem geklonken, maar voor u. [31] Nu wordt het oordeel over deze wereld geveld, nu gaat de vorst* van deze wereld onttroond worden. [32] Ikzelf moet van de aarde omhoog geheven* worden en zo haal* Ik allen* naar Mij toe.’ [33] Hiermee kondigde Hij aan op* welke manier Hij zou sterven. [34] De mensen wierpen tegen: ‘Ons heeft de wet* geleerd dat de Messias blijft* tot in eeuwigheid. Hoe kunt U het dan hebben over een Mensenzoon die omhoog geheven moet worden? Wat is dat voor een Mensenzoon?’ [35] Hierop* zei Jezus: ‘Nog maar een korte tijd is het licht in uw midden. Ga dus uw weg zolang het licht er nog is, en laat de duisternis u niet overvallen: wie zijn weg gaat in de duisternis, weet niet waar hij terechtkomt. [36] Geloof in het licht zolang het er nog is, dan wordt u kinderen van het licht.’ Met deze woorden nam Jezus afscheid van hen, en Hij trok zich terug.
Het raadsel van het ongeloof [37] Hoewel Hij voor hun ogen zo veel tekenen had verricht, geloofden ze toch niet in Hem, [38] want* het woord van de profeet Jesaja moest in vervulling gaan: Heer, wie heeft geloof geschonken aan onze boodschap? Wie heeft de machtige arm van de Heer herkend? [39] En de reden waarom ze niet konden geloven, vinden we eveneens bij Jesaja, waar hij zegt: [40] Hun ogen heeft Hij verblind, hun hart heeft Hij versteend, opdat ze met hun ogen niet zien en met hun hart niet tot inzicht komen; opdat ze zich niet bekeren, en Ik* hen zou genezen. [41] Jesaja zegt dit omdat hij Jezus’ heerlijkheid heeft gezien; daarom sprak hij met het oog op Hem. [42] Toch waren er, zelfs uit de leidende kringen, velen in Hem gaan geloven, maar uit vrees voor de farizeeën kwamen ze er niet voor uit, om niet uit de synagoge gebannen te worden: [43] ze waren meer gesteld op menselijke glorie dan op de glorie die van God komt.
Epiloog: redding en veroordeling [44] Toch had Jezus met nadruk verklaard: ‘Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij, maar in Hem die Mij gezonden heeft. [45] En wie Mij ziet, ziet Hem die Mij gezonden heeft. [46] Als een licht ben Ik in de wereld gekomen, zodat niemand die in Mij gelooft, in de duisternis blijft. [47] Maar als iemand mijn woorden hoort zonder ze ter harte te nemen, dan ben Ik het niet die hem veroordeel, want Ik ben niet gekomen om de wereld te veroordelen maar om haar te redden. [48] Voor wie Mij afwijst en mijn woorden niet aanvaardt, is er al een rechter: het woord dat Ik verkondigd heb, dat zal hem op de laatste dag* veroordelen. [49] Ik heb het immers niet eigenmachtig verkondigd, maar de Vader die Mij gezonden heeft, die heeft Mij opgedragen wat Ik te zeggen en te verkondigen heb, [50] en Ik weet dat deze opdracht eeuwig leven betekent. Mijn boodschap verkondig Ik, zoals Ik haar van de Vader heb gehoord.’
Hoofdstuk 12 [1] Zes dagen voor Pesach ging Jezus naar Betanië, naar Lazarus die hij uit de dood had opgewekt. [2] Daar hield men ter ere van hem een maaltijd; Marta bediende, en Lazarus was een van de mensen die met hem aanlagen. [3] Maria nam een kruikje kostbare, zuivere nardusolie, zalfde de voeten van Jezus en droogde ze af met haar haar. De geur van de olie trok door het hele huis. [4] Judas Iskariot, een van de leerlingen, degene die hem zou uitleveren, vroeg: [5] ‘Waarom is die olie niet voor driehonderd denarie verkocht om het geld aan de armen te geven?’ [6] Dat zei hij niet omdat hij zich om de armen bekommerde – hij was een dief: hij beheerde de kas en stal eruit. [7] Maar Jezus zei: ‘Laat haar, ze doet dit voor de dag van mijn begrafenis; [8] de armen zijn immers altijd bij jullie, maar ik niet.’ [9] Intussen hadden de Joden gehoord dat Jezus daar was en ze gingen in groten getale naar hem toe, niet alleen om hemzelf, maar ook om Lazarus te zien die hij uit de dood had opgewekt. [10] De hogepriesters beraamden intussen een plan om ook Lazarus te doden, [11] omdat hij er de oorzaak van was dat veel Joden bij Jezus kwamen en in hem gingen geloven.
Intocht in Jeruzalem [12] De volgende dag was er al een grote menigte in Jeruzalem voor het feest. Toen ze hoorden dat Jezus ook zou komen, [13] haalden ze palmtakken en liepen ze de stad uit, hem tegemoet, terwijl ze riepen: ‘Hosanna! Gezegend hij die komt in de naam van de Heer, de koning van Israël.’ [14] Jezus zag een ezel staan en ging erop zitten, zoals geschreven staat: [15] ‘Vrees niet, Sion, je koning is in aantocht, en hij zit op een ezelsveulen.’ [16] Zijn leerlingen begrepen dit aanvankelijk niet, maar later, toen Jezus tot majesteit verheven was, herinnerden ze zich dat dit over hem geschreven stond, en dat het zo ook gebeurd was. [17] De mensen die erbij waren geweest toen hij Lazarus uit het graf riep en uit de dood opwekte, waren van die gebeurtenis blijven getuigen. [18] Daarom ging de menigte hem ook tegemoet, omdat ze gehoord hadden dat hij dit wonderteken had gedaan. [19] En de Farizeeën zeiden tegen elkaar: ‘Je ziet dat we niets bereikt hebben: kijk maar, de hele wereld loopt achter hem aan.’
Jezus spreekt over zijn dood [20] Nu was er ook een aantal Grieken naar het feest gekomen om God te aanbidden. [21] Zij gingen naar Filippus uit Betsaïda in Galilea, en vroegen hem of ze Jezus konden ontmoeten. [22] Filippus ging dat tegen Andreas zeggen en samen gingen ze naar Jezus. [23] Jezus zei: ‘De tijd is gekomen dat de Mensenzoon tot majesteit wordt verheven. [24] Waarachtig, ik verzeker u: als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht. [25] Wie zijn leven liefheeft verliest het, maar wie in deze wereld zijn leven haat, behoudt het voor het eeuwige leven. [26] Wie mij dient moet mij volgen: waar ik ben zal ook mijn dienaar zijn, en wie mij dient zal door de Vader geëerd worden. [27] Nu ben ik doodsbang. Wat moet ik zeggen? Vader, laat dit ogenblik aan mij voorbijgaan? Maar hiervoor ben ik juist gekomen. [28] Laat nu zien hoe groot uw naam is, Vader.’ Toen klonk er een stem uit de hemel: ‘Ik heb mijn grootheid getoond en ik zal mijn grootheid weer tonen.’ [29] De mensen die daar stonden en dit hoorden, zeiden: ‘Een donderslag!’ Maar er waren er ook die zeiden dat het een engel was die tegen hem gesproken had. [30] Jezus zei: ‘Die stem heeft niet voor mij gesproken, maar voor u. [31] Nu wordt het oordeel over deze wereld geveld, nu zal de heerser van deze wereld uitgebannen worden. [32] Wanneer ik van de aarde omhooggeheven word, zal ik iedereen naar mij toe halen.’ [33] Daarmee bedoelde hij de wijze waarop hij zou sterven. [34] ‘Maar wij hebben uit de wet begrepen dat de messias eeuwig blijft leven,’ zeiden de mensen, ‘waarom zegt u dan dat de Mensenzoon omhooggeheven moet worden? Wie is die Mensenzoon?’ [35] ‘Nog een korte tijd is het licht bij u,’ antwoordde Jezus. ‘Ga uw weg zolang het licht is en laat de duisternis u niet overvallen; wie in het donker loopt weet niet waar hij heen gaat. [36] Geloof in het licht zolang u het licht bij u hebt, dan bent u kinderen van het licht.’ Na deze woorden ging Jezus weg en hij hield zich voor hen schuil.
Ongeloof [37] Ondanks de wondertekenen die hij voor hun ogen gedaan had, geloofden ze niet in hem.
Zo gingen de woorden van de profeet Jesaja in vervulling, die zei:
‘Heer, wie heeft onze boodschap geloofd?
Aan wie is de macht van de Heer geopenbaard?’
[39] Ze konden niet tot geloof komen, want Jesaja heeft ook gezegd:
‘Hij heeft hun ogen verblind
en hun hart gesloten,
anders zouden zij met hun ogen zien
en met hun hart begrijpen,
zij zouden zich omkeren
en ik zou hen genezen.’
[41] Jesaja doelde op Jezus toen hij dit zei, omdat hij zijn majesteit zag. [42] Toch waren er ook veel leiders die wel in hem geloofden, maar vanwege de Farizeeën kwamen ze daar niet openlijk voor uit, omdat ze niet uit de synagoge gezet wilden worden. [43] Ze stelden meer prijs op de eer van mensen dan op de eer van God. [44] Jezus had luid en duidelijk gezegd: ‘Wie in mij gelooft, gelooft niet in mij, maar in hem die mij gezonden heeft, [45] en wie mij ziet, ziet hem die mij gezonden heeft. [46] Ik ben het licht dat naar de wereld is gekomen, opdat iedereen die in mij gelooft niet meer in de duisternis is. [47] Als iemand mijn woorden hoort maar ze niet bewaart, zal ik niet over hem oordelen. Ik ben immers niet gekomen om over de wereld te oordelen, maar om de wereld te redden. [48] Wie mij afwijst en mijn woorden niet aanneemt heeft al een rechter: alles wat ik gezegd heb zal op de laatste dag over hem oordelen. [49] Ik heb niet namens mezelf gesproken, maar de Vader die mij gezonden heeft, heeft me opgedragen wat ik moest zeggen en hoe ik moest spreken. [50] Ik weet dat zijn opdracht eeuwig leven betekent. Alles wat ik zeg, zeg ik zoals de Vader het mij verteld heeft.’
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.