Hoofdstuk 11 David en Batseba [1] Omstreeks de jaarwisseling*, wanneer de koningen ten strijde trekken, liet David Joab met zijn eigen lijfwacht en alle Israëlieten uitrukken; zij vernietigden de Ammonieten en belegerden Rabba. David zelf bleef in Jeruzalem. [2] Op een avond stond David van zijn rustbed op en liep wat op en neer op het dakterras van het paleis. Vanaf het terras zag hij een vrouw die aan het baden was; zij was heel mooi. [3] David liet naar de vrouw informeren en er werd hem gezegd: ‘Het is Batseba, de dochter van Eliam, de vrouw van Uria de Hethiet.’ [4] David stuurde boden om de vrouw te halen; zij kwam bij hem en hij sliep met haar toen* zij zich van haar onreinheid had gezuiverd. Daarna ging zij weer naar huis. [5] Maar de vrouw was zwanger geworden en zij liet* David weten: ‘Ik ben zwanger.’ [6] Daarop stuurde David een boodschap naar Joab: ‘Stuur Uria de Hethiet naar mij toe.’ Joab stuurde Uria naar David. [7] Uria kwam bij hem en David informeerde hoe het met Joab ging, en met het leger en met de oorlog. [8] Daarna zei hij tegen Uria: ‘Ga naar huis en neem een bad.’ Toen Uria het paleis verliet, werden koninklijke geschenken achter hem aan gedragen. [9] Maar Uria overnachtte in het portaal van het paleis, bij de dienaren van zijn heer, en hij ging niet naar huis. [10] Toen aan David gemeld werd dat Uria niet naar huis was gegaan, zei hij tegen Uria: ‘U hebt toch een hele reis achter de rug. Waarom bent u dan niet naar huis gegaan?’ [11] Uria antwoordde: ‘De ark, Israël en Juda zijn ondergebracht in hutten, en mijn heer Joab en de dienaren van mijn heer liggen in de open lucht. Kan ik dan naar mijn huis gaan om daar te eten en te drinken en bij mijn vrouw te slapen? Zowaar u leeft, dat doe ik niet.’ [12] David zei tegen Uria: ‘Blijf vandaag ook nog hier; morgen laat ik u vertrekken.’ Zo bleef Uria in Jeruzalem, die dag en de dag erna. [13] David nodigde hem uit om aan zijn tafel te eten en te drinken en hij voerde hem dronken. Toch ging Uria ’s avonds weer slapen op zijn brits bij de dienaren van zijn heer en hij ging niet naar huis. [14] De volgende ochtend schreef David een brief aan Joab, die hij door Uria liet overbrengen. [15] In die brief schreef hij het volgende: ‘Zet Uria vooraan in de strijd, waar het hevigst gevochten wordt en trek u dan achter hem terug, zodat hij wordt getroffen en sneuvelt.’ [16] Joab zette Uria bij de belegering van de stad op een bepaalde plaats waarvan hij wist dat er sterke troepen stonden. [17] De bewoners van de stad deden een uitval tegen Joab; een deel van het leger van de dienaren van David sneuvelde; ook Uria de Hethiet vond de dood. [18] Joab stuurde een bode naar David om verslag uit te brengen over de strijd. [19] Hij beval de bode: ‘Als u de koning verslag hebt uitgebracht over de strijd, [20] zal hij wel kwaad worden en tegen u zeggen: “Waarom moesten jullie zo dicht bij de stad gaan vechten? Je weet toch wat ze zo van de muur naar beneden gooien? [21] Is Abimelek, de zoon van Jerubbaäl, niet getroffen door een molensteen die een vrouw van de muur af op hem neersmeet, waardoor hij de dood vond in Tebes? Waarom kwamen jullie dan zo dicht bij de muur?” Je moet dan zeggen: “Ook uw dienaar Uria de Hethiet is gesneuveld.” ’ [22] De bode vertrok en bij David gekomen meldde hij hem alles wat Joab hem had opgedragen. [23] Hij zei tegen David: ‘Die mannen waren zo sterk dat ze een uitval tegen ons konden doen. Wij hebben ze toen teruggedreven tot voor de poort, [24] maar daar begonnen de boogschieters vanaf de muur op uw dienaren te schieten. Daarbij zijn enkele mannen van de koning gesneuveld; ook uw dienaar, Uria de Hethiet, is omgekomen.’ [25] David zei tegen de bode: ‘Zeg tegen Joab: “Trek u dit voorval maar niet al te erg aan; het zwaard verslindt nu deze, dan weer die. Zet de strijd tegen de stad krachtig voort en maak haar met de grond gelijk.” Zo moet u hem moed inspreken.’ [26] Toen de vrouw van Uria vernam dat haar man dood was, hield zij de rouwklacht over haar echtgenoot. [27] Nadat de rouw voorbij was, liet David haar halen en nam hij haar op in zijn huis. Zij werd zijn vrouw en schonk hem een zoon. Maar wat David gedaan had, was slecht in de ogen van de heer.
Hoofdstuk 11 David en Batseba [1] Bij het aanbreken van het voorjaar, de tijd waarin koningen gewoonlijk ten strijde trekken, stuurde David opnieuw een leger erop uit, onder leiding van Joab en zijn aanvoerders, om de Ammonieten te verslaan en Rabba te belegeren. Zelf bleef hij in Jeruzalem achter. [2] Op een keer stond hij aan het eind van de middag op van zijn rustbed en liep wat heen en weer over het dak van het paleis. Beneden zag hij een vrouw die aan het baden was. Ze was heel mooi om te zien. [3] Hij liet uitzoeken wie ze was, en men zei hem: ‘Dat is Batseba, de dochter van Eliam, de vrouw van de Hethiet Uria.’ [4] David liet haar bij zich komen en sliep met haar. (De voorgeschreven periode van onthouding na haar onreinheid was juist verstreken.) Daarna ging ze terug naar huis. [5] Enige tijd later merkte ze dat ze zwanger was. Ze liet dat aan David berichten, [6] waarop David aan Joab opdracht gaf om Uria naar hem toe te sturen. [7] Uria meldde zich op bevel van Joab bij David, die hem vroeg hoe Joab en het leger het maakten en hoe het er met de oorlog voorstond. [8] Vervolgens zei hij: ‘Ga naar huis en ontspan u wat.’ Toen Uria het paleis verliet, kreeg hij nog een geschenk van de koning mee. [9] Maar Uria ging niet naar huis; hij bleef slapen in het poortgebouw van het paleis, bij de knechten van zijn heer. [10] Toen men David verteld had dat Uria niet naar huis was gegaan, zei hij tegen hem: ‘U hebt toch een lange reis achter de rug. Waarom bent u niet naar huis gegaan?’ [11] Uria antwoordde: ‘De ark en het leger van Israël en Juda zijn ondergebracht in hutten, opperbevelhebber Joab en zijn manschappen bivakkeren in het open veld; zou ik dan naar huis gaan om te eten en te drinken, en te slapen met mijn vrouw? Zo waar u leeft, dat doe ik niet!’ [12] David zei tegen Uria: ‘Blijf ook vandaag nog hier, dan laat ik u morgen teruggaan.’ Uria bleef die dag dus nog in Jeruzalem. De dag daarop [13] nodigde David hem bij zich aan tafel en voerde hem dronken. Toch ging Uria ’s avonds niet naar huis, maar legde zich opnieuw te slapen bij de knechten van zijn heer. [14] De volgende morgen schreef David Joab een brief, die hij aan Uria meegaf. [15] In de brief stond: ‘Stel Uria op waar het hevigst wordt gevochten en geef hem geen rugdekking, opdat hij wordt getroffen en sneuvelt.’ [16] Joab onderzocht waar de verdediging het sterkst was, en stelde Uria juist daar op. [17] De verdedigers van de stad deden een uitval naar Joab. Er vielen slachtoffers onder de soldaten van David, en ook Uria vond de dood. [18] Joab liet aan David verslag uitbrengen van de strijd [19] en beval de bode: ‘Als je de koning het hele verloop van de strijd hebt verteld, [20] en als hij dan woedend tegen je uitvalt: “Waarom hebben jullie je zo dicht bij de stad gewaagd? Jullie konden toch weten dat ze vanaf de muur zouden schieten! [21] Zijn jullie soms vergeten hoe Abimelech, de zoon van Jerubbeset, in Tebes aan zijn einde is gekomen? Een vrouw heeft toen vanaf de stadsmuur een maalsteen op zijn hoofd gegooid, zodat hij stierf. Waarom hebben jullie je dan zo dicht bij de muur gewaagd?” dan moet je zeggen: “Ook uw bevelhebber Uria is omgekomen.”’ [22] De bode ging naar David en vertelde hem alles wat Joab hem had opgedragen. [23] Hij zei tegen David: ‘Onze tegenstanders waren sterker dan wij en deden een uitval naar ons. We dreven ze terug tot voor de poort, [24] maar toen namen de boogschutters ons vanaf de muur onder schot en sneuvelden er soldaten van de koning. Ook uw bevelhebber Uria is omgekomen.’ [25] David droeg de bode op om tegen Joab te zeggen: ‘U moet er maar niet te slecht over oordelen; de oorlog eist nu eenmaal zijn tol. Houd moed! Heropen de aanval op de stad en maak haar met de grond gelijk.’ [26] De vrouw van Uria kreeg bericht dat haar man was gesneuveld, en ze treurde om haar echtgenoot. [27] Toen de rouwtijd voorbij was, nam David haar bij zich aan het hof. Zij werd zijn vrouw en baarde hem een zoon.
Naar het oordeel van de HEER was het wel degelijk slecht wat David had gedaan.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.