De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Het tweede boek Samuël
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 24
Volkstelling en straf
[1] Opnieuw ontvlamde de woede van de heer tegen de Israëlieten. Hij* zette David tegen hen op door te zeggen: ‘Ga een volkstelling houden in Israël en Juda.’ [2] Daarom zei de koning tegen Joab, zijn legeraanvoerder: ‘Ga rond bij alle stammen van Israël, van Dan tot Berseba, om het volk te tellen; ik wil weten hoe talrijk het is.’ [3] Joab antwoordde de koning: ‘Ik hoop dat de heer het volk nog honderdmaal zo talrijk maakt en dat mijn heer de koning daar getuige van zal zijn, maar waarom* wenst de koning eigenlijk een telling?’ [4] Maar Joab en de andere aanvoerders van het leger konden zich niet aan het bevel van de koning onttrekken. Daarom gingen zij van de koning weg om het volk Israël te tellen. [5] Ze staken de Jordaan over en begonnen bij Aroër, ten zuiden van de stad die halverwege de waterbedding ligt. Vanuit daar trokken zij naar de Gadieten en naar Jazer, [6] en verder naar Gilead en naar het land van de Hethieten. Daarna gingen zij naar Dan-Jaän en de omgeving van Sidon. [7] Vervolgens kwamen zij in de vesting Tyrus en alle steden van de Chiwwieten en Kanaänieten. Ten slotte gingen zij naar Berseba, in de Negeb van Juda. [8] Nadat zij het hele land hadden doorkruist, kwamen zij na verloop van negen maanden en twintig dagen in Jeruzalem terug. [9] Joab deelde de uitslag van de telling aan de koning mee: Israël telde achthonderdduizend weerbare mannen die het zwaard konden hanteren, en Juda vijfhonderdduizend.
     [10] Nadat David de volkstelling had laten houden, kreeg hij wroeging en hij zei tegen de heer: ‘Ik heb zwaar gezondigd door dat te doen. Ach heer, vergeef toch de zonde van uw dienaar; ik handelde als een dwaas.’ [11] Toen David de volgende ochtend opstond, was het woord van de heer al tot de profeet Gad gekomen, de ziener van David: [12] ‘Ga tegen David zeggen: “Zo spreekt de heer: Drie dingen leg Ik u voor, waarvan u er één moet kiezen; daarmee zal Ik u treffen.” ’
     [13] Gad ging naar David, legde hem dit voor en vroeg: ‘Moet er zeven jaar hongersnood* over uw land komen, wilt u drie maanden lang, achtervolgd door uw vijanden*, op de vlucht zijn, of moet drie dagen lang de pest* door uw land gaan? Denk goed na en beslis dan wat ik moet antwoorden aan Hem die mij zendt.’
     [14] Toen zei David tegen Gad: ‘Ik weet me geen raad, maar wij kunnen beter in de hand van de heer vallen dan in de handen van mensen, want zijn barmhartigheid is groot.’ [15] Dus liet de heer de pest op Israël los, vanaf die ochtend tot op de vastgestelde tijd, en er stierven van Dan tot Berseba zeventigduizend mensen. [16] Toen de engel van de heer zijn hand uitstak om ook Jeruzalem te teisteren, kreeg de heer spijt over het onheil en zei Hij tegen de engel die het volk wilde teisteren: ‘Het is genoeg; laat uw hand zakken.’ De engel van de heer stond bij de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet. [17] Toen David de engel zag die het volk teisterde, zei hij tegen de heer: ‘Ach Heer, alleen ik heb gezondigd, alleen ik heb verkeerd gehandeld, maar deze schapen*, wat hebben zij gedaan? Verhef uw hand liever tegen mij en tegen het huis van mijn vader!’
Hoofdstuk 24
De volkstelling
[1] Opnieuw ontstak de HEER in toorn tegen Israël. Hij zette David tegen het volk op met de woorden: ‘Ga in Israël en Juda een volkstelling houden.’ [2] De koning zei tegen Joab, de opperbevelhebber van zijn leger: ‘Ga alle stammen van Israël af, van Dan tot Berseba, en schrijf de weerbare mannen in, zodat ik weet hoe groot mijn leger is.’ [3] Joab antwoordde: ‘Moge de HEER, uw God, uw leger tijdens uw leven nog honderdmaal zo sterk maken als nu, mijn heer en koning, maar waarom wilt u dit eigenlijk?’ [4] Maar het woord van de koning was wet, dus trokken Joab en de bevelhebbers van het leger erop uit om een volkstelling te houden onder het volk van Israël. [5] Ze staken de Jordaan over en begonnen in Aroër,* een Gaditische vesting aan de Arnon. Van daar gingen ze naar Jazer, [6] naar Gilead en in de richting van het gebied van de Hethieten bij Kades.* Vanuit Dan-Jaän bogen ze af naar Sidon. [7] Vervolgens deden ze de vestingstad Tyrus aan en alle steden van de Chiwwieten en Kanaänieten, en ten slotte trokken ze naar de Negev in Juda, tot aan Berseba. [8] Zo gingen ze het hele land rond, en na negen maanden en twintig dagen kwamen ze weer terug in Jeruzalem. [9] Joab meldde de uitkomst van de volkstelling aan de koning: Israël telde achthonderdduizend weerbare mannen die de wapens konden hanteren en Juda vijfhonderdduizend.
     [10] Toen het tot David doordrong wat hij had gedaan, sloeg de schrik hem om het hart. Hij zei tegen de HEER: ‘Ik heb ernstig gezondigd met mijn daad. Ach HEER, vergeef uw dienaar zijn zonde; ik ben een dwaas geweest.’ [11] De HEER richtte zich tot de profeet Gad, de ziener van David: ‘Ga naar David en zeg hem: “Dit zegt de HEER: Drie straffen leg ik je voor. Kies er een uit; die zal ik je opleggen.”’ Toen David de volgende morgen opstond, [13] kwam Gad hem vragen: ‘Wat hebt u liever: zeven jaar hongersnood in uw rijk, drie maanden op de vlucht voor een belager die u in het nauw drijft, of drie dagen de pest in uw land? Denk goed na wat voor antwoord ik moet geven aan degene die mij gezonden heeft.’ [14] David antwoordde: ‘Ik ben in het nauw gedreven! Liever vallen wij in handen van de HEER, want groot is zijn mededogen, dan dat ik in mensenhanden val.’
     [15] Diezelfde morgen nog liet de HEER in Israël de pest uitbreken, die duurde tot de vastgestelde tijd. Van Dan tot Berseba vonden zeventigduizend mensen de dood. [16] Maar toen de engel zijn hand naar Jeruzalem uitstrekte om ook daar dood en verderf te zaaien, begon de HEER het onheil dat was aangericht te betreuren. ‘Genoeg!’ zei hij tegen de engel. ‘Laat je hand zakken!’ De engel van de HEER stond bij het bergterras waar de Jebusiet Arauna zijn graan dorste. [17] Toen David de engel die dood en verderf onder het volk zaaide zag staan, zei hij tegen de HEER: ‘Ik ben het die gezondigd heeft; ik ben het die een zonde heeft begaan. Maar deze arme schapen, wat hebben zij misdaan? Hef uw hand toch op tegen mij en mijn familie!’



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties