Hoofdstuk 2
De komst van de heilige Geest
[1] Toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak waren ze allen bij elkaar. [2] Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich bevonden geheel vulde. [3] Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten, [4] en allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven.
     [5] In Jeruzalem woonden destijds vrome Joden, die afkomstig waren uit ieder volk op aarde. [6] Toen het geluid weerklonk, dromden ze samen en ze raakten geheel in verwarring omdat ieder de apostelen en de andere leerlingen in zijn eigen taal hoorde spreken. [7] Ze waren buiten zichzelf van verbazing en zeiden: ‘Het zijn toch allemaal Galileeërs die daar spreken? [8] Hoe kan het dan dat wij hen allemaal in onze eigen moedertaal horen? [9] Parten, Meden en Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, mensen uit Pontus en Asia, [10] Frygië en Pamfylië, Egypte en de omgeving van Cyrene in Libië, en ook Joden uit Rome die zich hier gevestigd hebben, [11] Joden en proselieten, mensen uit Kreta en Arabië – wij allen horen hen in onze eigen taal spreken over Gods grote daden.’ [12] Verbijsterd en geheel van hun stuk gebracht vroegen ze aan elkaar: ‘Wat heeft dit toch te betekenen?’ [13] Maar sommigen zeiden spottend: ‘Ze zullen wel dronken zijn.’


Willibrordvertaling: © Katholieke Bijbelstichting, 's-Hertogenbosch, 1995.
De Nieuwe Bijbelvertaling: © Nederlands Bijbelgenootschap, Haarlem, 2004.