De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Lectionarium
 
<< >>
zomadiwodovrza
1234567
891011121314
15161718192021
22232425262728
2930311234

Maandag in week 4 door het jaar

2 Samuël 15,13-14.30; 16,5-13a

Uit het tweede boek Samuël

In die dagen kwam bij David een bode
met het bericht dat de Israëlieten
de zijde van Absalom gekozen hadden.
Daarop zei David tot al zijn dienaren
die bij hem in Jeruzalem waren:
“Vooruit, wij moeten vluchten;
anders ontkomen wij niet aan Absalom.
Als u niet haastig vertrekt, zal hij ons vóór zijn,
ons in het onheil storten
en zijn zwaard tegen de stad keren.”

David ging de helling van de Olijfberg op.
Wenend ging hij naar boven,
het hoofd omhuld en barrevoets;
ook al degenen die hem vergezelden
hadden hun hoofd omhuld
en gingen wenend de berg op.

Later, toen koning David Bachurim bereikt had,
kwam daar een man op hem toegelopen;
hij was uit hetzelfde geslacht als de familie van Saul
en heette Simi, de zoon van Gera.
Vloekend en tierend kwam hij de stad uit
en hoewel de soldaten en de keurtroepen
links en rechts van David liepen,
bekogelde hij koning David en zijn gevolg met stenen.
Vloekend schreeuwde Simi:
“Eruit, bloedhond! Eruit, onverlaat!
De HEER wreekt al het bloed van het huis van Saul op u,
omdat gij hem het koningschap afhandig hebt gemaakt;
nu geeft de HEER het aan uw zoon Absalom.
Zo krijgt ge de ellende die u toekomt,
omdat ge een bloedhond zijt.”
Abisai, de zoon van Seruja, zei tot de koning:
“Wat voor recht heeft die dode hond
om mijn heer de koning te vervloeken?
Zal ik hem een kopje kleiner gaan maken?”
Maar koning David zei:
“Is dat soms uw zaak, zoon van Seruja?
Als hij David vervloekt,
omdat de HEER hem dat ingegeven heeft,
wie mag dan vragen, met welk recht hij dat doet?”
En David zei tot Abisai en tot zijn hovelingen:
“Kijk eens, mijn bloedeigen zoon staat mij naar het leven.
Wat hebben we dan van een Benjaminiet te verwachten?
Laat hem vloeken, want de HEER heeft hem dat ingegeven.
Misschien ziet de HEER neer op mijn ellende
en geeft Hij mij het geluk weer terug,
in plaats van zijn vervloeking van vandaag.”
Daarop trokken David en zijn mannen verder.

Marcus 5,1-20

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd kwamen Jezus en zijn leerlingen
aan de overkant van het meer
in het land van de Gerasenen.
Nauwelijks was Hij uit de boot gestapt,
of daar liep Hem uit de grotspelonken een man tegemoet
die in de macht was van een onreine geest.
Hij huisde in de graven en niemand was meer in staat
hem zelfs met een ketting te boeien,
want al meermalen was hij
in voet- en handboeien geketend geweest,
maar de handboeien had hij uit elkaar getrokken
en de voetboeien verbrijzeld.
Niemand was dus bij machte hem te overweldigen.
Dag en nacht was hij onafgebroken
in de grafspelonken en in de bergen aan het schreeuwen
en beukte zichzelf met stenen.
Toen hij in de verte Jezus zag,
snelde hij op Hem toe en viel Hem te voet.
Luid schreeuwend riep hij:
“Wat hebt Gij met mij te maken, Jezus,
Zoon van God, de Allerhoogste?
Ik bezweer U bij God, kwel mij niet!”
Want Hij had hem gezegd:
“Onreine geest, ga weg uit die man.”
Daarop vroeg Jezus hem:
“Wat is uw naam?”
Hij antwoordde:
“Mijn naam is Legioen,
want wij zijn met velen.”
En hij smeekte Jezus met aandrang,
dat Hij hen niet uit die streek zou wegjagen.

Nu was men daar tegen de berghelling
een grote kudde zwijnen aan het hoeden.
Zij smeekten Hem:
“Stuur ons in die zwijnen en laat ons daarin gaan.”
Hij stond het hun toe.
De onreine geesten gingen uit de bezetene,
voeren in de zwijnen
en de troep stortte zich van de steile oever in het meer,
ongeveer tweeduizend,
en ze verdronken.
De zwijnenhoeders namen de vlucht
en vertelden het in de stad en op het land.
Daarop kwamen de mensen kijken
wat er gebeurd was.
Zij kwamen naar Jezus toe en zagen de bezetene zitten,
gekleed en goed bij zijn verstand,
dezelfde die in de macht van Legioen geweest was;
en ze werden door vrees bevangen.
Die het gezien hadden
verhaalden hun hoe het gegaan was met de bezetene,
en vertelden ook over de zwijnen.
Daarop begonnen ze bij Hem aan te dringen
hun streek te verlaten.
Maar toen Hij in de boot stapte,
verzocht de man die bezeten geweest was
bij Hem te mogen blijven.
Jezus stond dit echter niet toe,
maar zei hem:
“Ga naar huis,
naar de uwen
en vertel hun alles wat de Heer aan u gedaan heeft
en hoe Hij u barmhartigheid heeft bewezen.”
De man ging heen en begon in Dékapolis alles te verkondigen
wat Jezus aan hem gedaan had.
En allen stonden verbaasd.


De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties