![]() |
|||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||
Dinsdag in de Goede WeekJesaja 49,1-6
Uit de profeet Jesaja
Gij eilanden, luistert naar mij!
Spitst uw oren, verre volken! Van de moederschoot af heeft de HEER mij geroepen, mijn naam heeft Hij al genoemd van de moederschoot af. Hij heeft van mijn mond een scherpsnijdend zwaard gemaakt en mij beschut met de schaduw van zijn hand. Hij heeft van mij een spitse pijl gemaakt en mij in zijn koker geborgen. Hij heeft gezegd: “Mijn dienaar zijt gij, Israël, door wie Ik mijn glorie ga vinden.” Maar ik zei: “Vruchteloos heb ik gezwoegd, mijn kracht verging in leegte en wind, maar toch behartigt de HEER mijn recht, en komt mijn beloning van God.” Thans echter heeft de HEER gesproken, die mij van de moederschoot af tot zijn dienaar gevormd heeft om Jakob terug te brengen naar Hem en Israël van de ondergang te redden. Ik sta bij de HEER in ere en mijn God is mijn sterkte. Hij heeft mij gezegd: “Gij zijt niet alleen mijn dienaar om Jakobs stammen op te richten en de gespaarden van Israël terug te brengen. Ik maak u nu ook tot een licht voor de heidenen zodat mijn heil tot de grenzen der aarde zal gaan.” Johannes 13,21-33.36-38
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd, toen Jezus met zijn leerlingen aan tafel aanlag,
werd Hij ontroerd en bevestigde: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: een van u zal Mij overleveren.” De leerlingen keken elkaar aan, in het onzekere wie Hij bedoelde. Een van de leerlingen, degene die door Jezus bemind werd, lag dicht tegen Jezus aan. Simon Petrus gaf hem een teken en vroeg hem: “Wie bedoelt Hij?” Toen leunde deze tegen Jezus’ borst en zei: “Heer, wie is het?” Jezus antwoordde: “Hij is het aan wie Ik het stuk brood zal geven dat Ik ga indopen.” Na het stuk brood te hebben ingedoopt, reikte Hij het toe aan Judas Iskariot. En toen Judas dit had aangenomen voer de satan in hem. Jezus zei hem: “Wat gij te doen hebt doe dat spoedig.” Maar niemand van de aanliggenden begreep waarom Hij dit tot hem zei. Omdat Judas de beurs hield, meenden sommigen dat Jezus hem opdroeg: Koop wat wij voor het feest nodig hebben, of dat hij iets aan de armen moest geven. Toen hij het stuk brood had aangenomen, ging hij terstond weg. Het was nacht. Na zijn vertrek zei Jezus:
|
|
||||||||||||||||||||||||
|
- Disclaimer - Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013. - Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties | |||||||||||||||||||||||||