![]() |
|||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||
Eenentwintigste zondag door het jaarJozua 24,1-2a.15-17.18b
Uit het boek Jozua
In die dagen riep Jozua alle stammen van Israël in Sichem bijeen,
met de oudsten van Israël, de familiehoofden, de rechters en de schrijvers. Toen zij voor God stonden, richtte Jozua zich tot het volk en sprak: “Zo spreekt de HEER, de God van Israël: Als gij de HEER niet wilt dienen, kies dan nu wie gij wel dienen wilt: de goden die uw voorouders aan de overkant van de Rivier hebben vereerd, of de goden van de Amorieten, in wier land gij woont. Ik en mijn familie, wij dienen de HEER.” Het volk antwoordde: “Wij denken er niet aan de HEER te verlaten en andere goden te vereren. De HEER onze God heeft ons en onze vaderen uit Egypte geleid, uit het land van de slavernij. Hij heeft voor onze ogen grote tekenen verricht en ons beschermd op al onze tochten en tegen alle volken waarmee wij in aanraking kwamen. Ook wij willen de HEER dienen, Hij is onze God.” Efeziërs 5,21-32
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Efeze
Broeders en zusters,
Weest elkander onderdanig uit ontzag voor Christus.
Johannes 6,60-69
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd zeiden velen van Jezus’ leerlingen:
“Deze taal stuit iemand tegen de borst. Wie is nog in staat naar Hem te luisteren?” Maar Jezus die uit zichzelf wist dat zijn leerlingen daarover morden, vroeg hun: “Neemt gij daar aanstoot aan? Als gij dan de Mensenzoon ziet opstijgen naar waar Hij vroeger was...? Het is de geest die levend maakt, het vlees is van geen nut. De woorden die Ik tot u gesproken heb zijn geest en leven. Maar er zijn er onder u die geen geloof hebben.” - Jezus wist inderdaad van het begin af aan wie het waren die niet geloofden en wie Hem zou overleveren. - Hij voegde eraan toe: “Daarom heb Ik u gezegd dat niemand tot Mij kan komen als het hem niet door de Vader gegeven is.” Tengevolge hiervan trokken velen van zijn leerlingen zich terug en verlieten zijn gezelschap. Waarop Jezus aan de twaalf vroeg: “Wilt ook gij soms weggaan?” Simon Petrus antwoordde Hem: “Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt.” |
|
||||||||||||||||||||||||
|
- Disclaimer - Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013. - Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties | |||||||||||||||||||||||||