Inleiding op het boek Ruth
dit boekje, genoemd naar de hoofdfiguur Ruth, staat in de Septuaginta en de Vulgaat bij de ‘Historische Boeken’. De Hebreeuwse Bijbel daarentegen plaatst het bij de zogenaamde Chetubim of overige geschriften, meer bepaald bij de ‘Feestrollen’ (Megillot). Ruth wordt in de synagoge namelijk voorgelezen op het pinksterfeest, omdat het verhaal zich afspeelt in de oogsttijd. De historische ordening van Ruth, die teruggaat op oude Joodse tradities (o.a. Flavius Josephus), is te verkiezen boven de latere liturgische ordening van de Hebreeuwse canon en de synagoge.
Deze mooie en zeer menselijke bijbelse novelle, met haar fijne psychologie, staat onmiddellijk in verband met het koningshuis van David. Het verhaal speelt zich af in de bewogen tijd van de rechters, vóór de instelling van het koningschap (1,1). Juda wordt door hongersnood geteisterd. Daarom vertrekken Elimelek, zijn vrouw Noömi en hun twee zonen uit Betlehem naar Moab, een heidens gebied ten oosten van de Dode Zee. Beide zonen huwen daar met Moabitische vrouwen, Orpa en Ruth. Na de dood van Elimelek besluit Noömi naar haar land terug te keren. Ruth, die inmiddels ook weduwe is geworden, wil kost wat kost mee, ofschoon Noömi erop aandringt dat zij in haar land zou blijven. Maar Ruth zegt veelbetekenend: ‘Dring er niet langer op aan dat ik u verlaat … Waar u gaat, ga ik; waar u blijft, blijf ik. Uw volk is mijn volk, uw God is mijn God’ (1,16).
In Juda voorziet Ruth in het onderhoud van haar schoonmoeder door op de akkers aren te lezen. Toevallig, of beter gezegd door Gods voorzienigheid, leert zij een zekere Boaz kennen, een familielid van haar overleden man. Als rechtsgetrouwe Jood neemt deze de leviraatsplicht op zich en huwt hij met de kinderloze weduwe Ruth, om zo de naam van de familie voort te zetten. Ruth en Boaz krijgen een zoon, Obed, van wie in 4,17 uitdrukkelijk wordt gezegd dat hij de vader is van Isaï, de vader van David. Dit vers is het doel van het hele verhaal. De heidense Ruth, de Moabitische vreemdelinge, wordt de overgrootmoeder van koning David. Zij wordt de waardige stammoeder van Gods volk. Door haar keuze voor de heer ( ‘uw God is mijn God’) werkt zij mee aan Gods heilsplan.
Aan de overlevering over de Moabitische afkomst van koning David ligt waarschijnlijk een historische kern ten grondslag. De Ruth-novelle probeert dit ‘schandaal’ aanvaardbaar te maken voor de Joden, die geen heidense inmenging duldden. Het boek Ruth leert ons dat God werkzaam kan zijn via elke mens, ook via vrouwen en vreemdelingen die onder zijn vleugels een toevlucht zoeken (2,12). Zonder Ruth zou er geen koning David zijn geweest en uiteindelijk ook geen ‘Zoon van David’ (Jezus).
Het boek Ruth is als volgt opgebouwd: - Ruth gaat met haar schoonmoeder naar Betlehem (1)
- Ruth ontmoet Boaz (2-3)
- Ruth huwt Boaz en wordt de overgrootmoeder van koning David (4,1-17).
|