Hoofdstuk 2 Ruth ontmoet Boaz [1] Nu was Noömi aan de kant van haar man verwant aan een zekere Boaz, een vermogend man uit de familie van Elimelek. [2] Ruth, de Moabitische, zei tegen Noömi: ‘Ik zou wel naar het land willen gaan om ergens achter een maaier, die mij dat toestaat, aren* te lezen.’ Noömi antwoordde: ‘Doe dat, mijn dochter.’ [3] Zij ging dus naar het land om aren te lezen achter de maaiers. Toevallig kwam ze terecht op de akker van Boaz, uit het geslacht van Elimelek. [4] En daar kwam ook Boaz uit Betlehem. Hij zei tegen de maaiers: ‘De heer zij met jullie’, en de maaiers antwoordden: ‘Wees gezegend door de heer.’ [5] Boaz vroeg de knecht die de leiding had over de maaiers: ‘Van wie* is die jonge vrouw?’ [6] De knecht die de leiding over de maaiers had antwoordde: ‘Het is een jonge Moabitische, die met Noömi is meegekomen uit de vlakte van Moab. [7] Zij vroeg of zij aren mocht lezen achter de maaiers. Sinds zij vanmorgen hier is gekomen, is zij onafgebroken bezig geweest en heeft zij zich amper rust gegund.’ [8] Toen zei Boaz tegen Ruth: ‘Hoor eens, mijn dochter, je moet niet op een andere akker gaan lezen. Ga hier niet vandaan en sluit je aan bij de vrouwen die hier werken*. [9] Volg ze op de voet en houd je ogen gevestigd op de akker die gemaaid wordt. Ik heb mijn knechten opdracht gegeven je te laten begaan. En als je dorst krijgt, ga dan naar de waterkruiken en drink van het water dat de knechten geput hebben.’ [10] Ruth wierp zich diep gebogen ter aarde en zei: ‘Waaraan heb ik het verdiend dat u zo goed voor mij bent? Ik ben toch maar een vreemdeling.’ [11] Boaz antwoordde: ‘Er is mij verteld wat je na de dood van je man allemaal voor je schoonmoeder hebt gedaan; vader, moeder en geboorteland heb je verlaten om naar een volk te gaan dat onbekend voor je was. [12] De heer, de God van Israël, onder* wiens vleugels je een toevlucht hebt gezocht, moge je dat vergelden en je rijkelijk belonen.’ [13] Ruth antwoordde: ‘U bent goed voor mij, mijn heer, door mij gerust te stellen en zo vriendelijk tot uw dienares te spreken, terwijl ik niet eens een van uw dienaressen ben.’ [14] Toen het etenstijd was, zei Boaz tegen haar: ‘Kom erbij, dan kun je met ons eten en je brood dopen in de azijn.’ Zij ging bij de maaiers zitten en Boaz gaf haar gepoft graan. Zij at tot ze verzadigd was en hield nog over. [15] Toen zij opstond om weer aren te gaan lezen, gaf Boaz zijn knechten bevel: ‘Ook rondom de schoven mag zij lezen en jullie mogen het haar niet lastig maken; [16] integendeel, trek opzettelijk wat aren uit de schoven en laat die vallen; en als zij die opraapt houd haar dan niet tegen.’ [17] Zo bleef zij tot de avond aren lezen op het land. Toen zij de aren leeg klopte die ze had bijeengelezen, had ze bijna een hele efa gerst. [18] Ze ging daarmee naar de stad, en liet haar schoonmoeder zien hoe veel zij verzameld had. Daarna haalde zij ook het overschot van de overvloedige maaltijd tevoorschijn en gaf dit aan haar. [19] Haar schoonmoeder vroeg: ‘Waar heb jij vandaag aren gelezen? Waar heb je gewerkt? Gezegend wie zo vriendelijk voor je geweest is.’ En Ruth vertelde haar schoonmoeder bij wie ze gewerkt had. ‘De man bij wie ik vandaag gewerkt heb’, zei ze, ‘heet Boaz.’ [20] Toen zei Noömi tegen haar schoondochter: ‘Moge die man, die tegenover de levenden en de doden zijn goedheid laat gelden, gezegend zijn door de heer.’ Zij vervolgde: ‘Die man is aan ons verwant; hij is een van degenen die familieverplichtingen* tegenover ons hebben.’ [21] Ruth, de Moabitische, zei: ‘Hij heeft mij zelfs gezegd dat ik mij bij zijn knechten kon aansluiten totdat al zijn koren gemaaid is.’ [22] Noömi antwoordde: ‘Het is goed, mijn dochter, dat je meegaat met de vrouwen die bij hem werken. Op een andere akker zouden ze je misschien moeilijkheden bezorgen.’ [23] Ruth bleef dus bij de vrouwen die bij Boaz werkten tot het einde van de gerste- en tarweoogst om aren te lezen. Zij woonde bij haar schoonmoeder.
Hoofdstuk 2 [1] Nu was Noömi van de kant van haar echtgenoot Elimelech verwant aan een belangrijk man, die Boaz heette. [2] Ruth, de Moabitische, zei tegen Noömi: ‘Ik zou graag naar het land willen gaan om aren te lezen bij iemand die me dat toestaat.’ Noömi antwoordde: ‘Doe dat maar, mijn dochter.’ [3] Ze ging dus naar het land om aren te lezen, achter de maaiers aan. Het toeval wilde dat de akker waar ze kwam van Boaz was, het familielid van Elimelech. [4] Na enige tijd kwam Boaz zelf eraan, uit Betlehem. ‘De HEER zij met jullie,’ groette hij de maaiers. ‘De HEER zegene u,’ groetten zij terug. [5] Boaz vroeg de voorman van zijn maaiers: ‘Bij wie hoort die jonge vrouw daar?’ [6] De man antwoordde: ‘Dat is de Moabitische vrouw die met Noömi is teruggekeerd. [7] Toen ze hier aankwam zei ze: “Ik zou graag achter de maaiers aan willen gaan om aren te lezen bij de schoven,” en nu is ze hier al de hele dag, vanaf de vroege ochtend – ze heeft maar even gezeten.’ [8] Daarop zei Boaz tegen Ruth: ‘Luister goed, mijn dochter. Je moet niet naar een andere akker gaan om aren te lezen; ga hier niet weg maar blijf dicht bij de vrouwen die voor mij werken. [9] Volg ze op de voet en houd je ogen gericht op het veld waar gemaaid wordt. Ik zal mijn mannen zeggen je niet lastig te vallen. Als je dorst hebt, ga dan naar de kruiken en drink van het water dat ze daar scheppen.’ [10] Ze knielde, boog diep voorover en zei: ‘Waaraan heb ik het te danken dat u zo goed voor mij bent, terwijl ik toch maar een vreemdeling ben?’ [11] En Boaz antwoordde: ‘Meer dan eens is mij verteld over alles wat je voor je schoonmoeder hebt gedaan na de dood van je man: dat je je vader en moeder en je geboorteland hebt verlaten en naar een volk bent gegaan dat je volkomen onbekend was. [12] Moge de HEER je daarvoor rijkelijk belonen – de HEER, de God van Israël, onder wiens vleugels je een toevlucht hebt gezocht.’ [13] ‘Ik dank u, heer,’ zei ze, ‘want u hebt zich mijn lot aangetrokken en mij moed ingesproken, terwijl ik niet eens bij u in dienst ben.’ [14] Toen het etenstijd was zei Boaz tegen haar: ‘Kom maar hier en neem een stuk brood en doop het in de wijn.’ Ze ging naast de maaiers zitten, en hij gaf haar geroosterd graan. Ze at tot ze genoeg had en ze hield zelfs nog over. [15] Toen ze weer opstond om te gaan werken, gaf Boaz zijn mannen de volgende opdracht: ‘Laat haar ook tussen de schoven aren lezen, zeg daar niets van. [16] Integendeel, jullie moeten juist wat halmen voor haar uit de bundels trekken en die laten liggen, zodat zij ze op kan rapen. Verwijt haar dus niets.’ [17] Zij werkte tot de avond op het veld en sloeg de korrels uit de aren die ze geraapt had. Het was ongeveer een efa gerst. [18] Ze pakte het op en ging terug naar de stad.
Toen Noömi zag hoeveel ze verzameld had, en toen Ruth haar ook nog gaf wat ze van het middagmaal had overgehouden, [19] riep ze uit: ‘Waar heb jij vandaag aren gelezen, waar heb je gewerkt? Gezegend de man die zo goed voor jou geweest is!’ Ruth vertelde haar schoonmoeder dat de man bij wie ze die dag gewerkt had Boaz heette. [20] Toen zei Noömi tegen haar schoondochter: ‘Moge de HEER hem zegenen, want hij heeft trouw bewezen aan de levenden en aan de doden.’* En ze vervolgde: ‘Hij is een naaste verwant van ons en kan daarom zijn rechten als losser laten gelden.’ [21] En Ruth, de Moabitische, zei: ‘Hij heeft ook nog tegen me gezegd dat ik bij zijn maaiers moest blijven totdat zijn hele oogst is binnengehaald.’ [22] ‘Het is goed dat je optrekt met de vrouwen op zijn land, mijn dochter,’ zei Noömi tegen Ruth, ‘want dan zal niemand je op een ander veld lastig kunnen vallen.’ [23] Ze bleef dus aren lezen bij de vrouwen die voor Boaz werkten, tot het einde van de gerste- en de tarweoogst. Al die tijd woonde ze bij haar schoonmoeder.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.