Hoofdstuk 3 Ruth en Boaz op de dorsvloer [1] Op een zekere dag zei Noömi, de schoonmoeder van Ruth: ‘Mijn dochter, ik zou jou graag onderdak willen geven waar je gelukkig kunt zijn. [2] Je weet dat Boaz, bij wie je met de vrouwen op het land hebt gewerkt, familie van ons is. Nu gaat hij vannacht op de dorsvloer de gerst wannen. [3] Was je en parfumeer je, doe je mantel om en ga naar de dorsvloer, maar zorg ervoor dat de man je niet opmerkt voordat hij klaar is met eten en drinken. [4] Wanneer hij gaat slapen, let dan goed op waar hij gaat liggen. Dan ga jij erheen, je slaat de deken aan zijn voeteneind op en je gaat daar liggen. Hij zal je dan wel vertellen wat je moet doen.’ [5] Ruth antwoordde: ‘Ik zal doen wat u mij zegt.’ [6] Zij ging naar de dorsvloer en deed wat haar schoonmoeder had gezegd. [7] Boaz at en dronk, en ging goedgemutst naast de graanhoop slapen. Zachtjes liep Ruth naar hem toe, sloeg de deken aan zijn voeteneind op en ging liggen. [8] Midden in de nacht schrok Boaz wakker: hij ging overeind zitten en zag aan zijn voeten een vrouw liggen. [9] Hij vroeg: ‘Wie ben je?’ Zij antwoordde: ‘Ik ben Ruth, uw dienares. Spreid* uw mantel uit over uw dienares, want u hebt familieverplichtingen tegenover mij.’ [10] Hij zei: ‘Mijn dochter, wees gezegend door de heer! Dit* bewijs van trouw is nog mooier dan het vorige; je hebt geen jonge mannen nagelopen, geen arme en geen rijke. [11] Maak je niet ongerust, mijn dochter; ik zal doen wat je van mij vraagt; iedereen in de stad weet immers dat je een bekwame vrouw bent. [12] Het is inderdaad waar dat ik familieverplichtingen tegenover je heb, maar er is nog iemand anders die deze verplichtingen heeft en die meer aan je verwant is dan ik. [13] Blijf vannacht maar hier. Blijkt morgen dat die man zijn verplichtingen tegenover jou wil nakomen, goed, laat hij ze nakomen. Is hij er niet toe bereid, dan zal ik, zowaar de heer leeft, mijn verplichtingen tegenover jou nakomen. Slaap nu maar rustig tot het ochtend is.’ [14] Zij bleef tot de ochtend aan zijn voeten liggen en nog voordat het zó licht werd dat men iemand kon herkennen stond zij op, want Boaz had gezegd: ‘Niemand mag weten dat een vrouw op de dorsvloer geweest is.’ [15] Hij zei tegen Ruth: ‘Kom hier met je omslagdoek en houd hem open.’ Zij hield hem open en hij mat zes maten gerst af en deed die erin. Daarna ging zij naar de stad. [16] Toen ze bij haar schoonmoeder kwam, vroeg deze: ‘Hoe is het je vergaan, mijn dochter?’ Ze vertelde wat de man voor haar gedaan had [17] en zei: ‘Hij heeft me zes maten gerst meegegeven en hij zei: “Jij mag bij je schoonmoeder niet met lege handen aankomen!” ’ [18] Noömi antwoordde: ‘Blijf nu maar hier, mijn dochter, tot je weet hoe de zaak geregeld wordt. Die man zal niet rusten totdat hij vandaag nog de zaak in orde heeft gebracht.’
Hoofdstuk 3 [1] Op een dag zei Noömi, haar schoonmoeder: ‘Mijn dochter, zal ik niet een thuis voor je zoeken waar het je goed zal gaan? [2] Boaz, bij wie je gewerkt hebt, is zoals je weet familie van ons. Vanavond zal hij op de dorsvloer gerst wannen. [3] Baad je, wrijf je in met olie, kleed je aan en ga naar de dorsvloer. Zorg dat hij je niet ziet voordat hij klaar is met eten en drinken. [4] Als hij gaat slapen moet je goed opletten waar hij zich neerlegt, en dan moet je naar hem toe gaan, de deken aan zijn voeteneinde terugslaan en daar gaan liggen. Hij zal je dan wel vertellen wat je moet doen.’ [5] Ruth antwoordde: ‘Ik zal doen wat u mij zegt.’ [6] Ze ging naar de dorsvloer en deed precies wat haar schoonmoeder haar had opgedragen. [7] Boaz at en dronk, voelde zich voldaan, en legde zich te slapen tegen een hoop gerst. Toen kwam Ruth stilletjes naar hem toe, sloeg de deken aan zijn voeteneinde terug en ging liggen. [8] Midden in de nacht schrok hij wakker, draaide zich om en zag een vrouw aan zijn voeteneinde liggen. [9] ‘Wie is daar?’ vroeg hij. ‘Ik ben het, Ruth,’ zei ze. ‘Wilt u mij bij u nemen, want u kunt voor ons als losser optreden.’ [10] ‘Moge de HEER je zegenen, mijn dochter,’ zei hij. ‘Dit getuigt van nog meer trouw dan wat je voorheen al hebt gedaan. Je hebt niet omgekeken naar jongere mannen, arm of rijk. [11] Daarom, mijn dochter, wees niet bang. Ik zal doen wat je van me vraagt; iedereen in de stad weet immers dat je een bijzondere vrouw bent. [12] Maar al is het waar dat ik jullie kan helpen, er is nog iemand anders voor wie dat geldt, en hij staat dichter bij jullie dan ik. [13] Blijf vannacht hier. Als morgenochtend blijkt dat die man als losser wil optreden is het goed, maar als hij dat niet wil, dan doe ik het, zo waar de HEER leeft. Blijf hier nu maar liggen, tot het ochtend wordt.’ [14] En zij bleef tot de ochtend aan zijn voeteneinde liggen.
Voordat het zo licht werd dat men iemand herkennen kon, stond ze op, want hij wilde niet dat bekend werd dat ze op de dorsvloer was geweest. [15] Hij zei: ‘Pak je omslagdoek en houd hem open.’ Dat deed ze, en hij goot er zes maten gerst in en hielp haar dit alles op te tillen. Daarna ging hij naar de stad. [16] Zij ging naar haar schoonmoeder, die haar vroeg hoe het haar was vergaan. Ruth vertelde haar wat Boaz voor haar gedaan had. [17] ‘Deze zes maten gerst heeft hij me gegeven, “want,” zei hij, “je moet niet met lege handen bij je schoonmoeder aankomen.”’ [18] Daarop zei Noömi: ‘Blijf hier dan maar rustig wachten tot je weet hoe het afloopt, mijn dochter, want ik weet zeker dat deze man niet zal rusten voordat hij de zaak geregeld heeft.’
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.